`Karel, we willen je graag nog wat langer houden'

Om de vergrijzing te kunnen betalen, moeten ouderen langer doorwerken. Maar tussen politiek correcte wens en de praktijk van de grote onderneming gaapt een gat.

Het hoofd van een stafafdeling van een grote onderneming is er duidelijk over als een oudere werknemer eerder wil stoppen met werken: ,,Als iemand beslist dat het welletjes is geweest, dan is dat zo. Klaar! Bij uittreden zeggen we dan: geniet er van.'' Bij grote bedrijven en de ministeries gaat het zo: pensioneren of stoppen met werken geldt als privé-beslissing. Ook al is de betrokken werknemer nog productief en moeilijk vervangbaar, dan nog wordt hij nauwelijks gestimuleerd om lang door te werken.

Werkgevers doen weinig moeite om oudere medewerkers vast te houden. Dat blijkt uit het vanmiddag in besloten kring gepubliceerde onderzoek Het eindspel van K. Henkens en H. van Solinge van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI), in opdracht van de Stichting Management Studies. Het hoofd van de stafafdeling, die net als anderen anoniem wordt opgevoerd, zegt: ,,Het probleem van de organisatie is pas in tweede instantie aan de orde.''

Werknemers moeten langer doorwerken, daarover zijn politici en deskundigen het eens. De gemiddelde leeftijd waarop werknemers stoppen ligt nu op ongeveer 60 jaar. Dat gemiddelde moet omhoog. Naast het aan de slag helpen van meer vrouwen en arbeidsongeschikten kunnen dan de toekomstige kosten van de vergrijzing worden opgevangen. Maar tussen wat macro-economisch noodzakelijk is en de werkvloer gaapt een groot gat. Van de maatregelen om de arbeidsdeelname te vergroten staan die voor ouderen volgens de onderzoekers nog ver onderaan. Een vanzelfsprekend afscheid van werknemers van rond de zestig jaar komt, ondanks de economische dip, op gespannen voet te staan met bedrijfsbelangen. Maar langer doorwerken heeft geen prioriteit, zo blijkt.

,,Geen van de leidinggevenden die wij spraken heeft van hogerhand te horen gekregen het onderwerp binnen het bedrijf op de kaart te zetten'', zegt Henkens. Van Solinge: ,,Dat geldt ook voor de ministeries.'' Zo zegt een afdelingshoofd van een ministerie: ,,Een signaal dat ouderen langer zouden moeten doorwerken is hier vanuit de top nooit gegeven. In het departmentale personeelsbeleid vind ik hiervan niets terug.''

Henkens en Van Solinge deden hun onderzoek bij de Rabobank, Unilever, IBM Nederland, Vendex KBB en alle ministeries. Ze enquêteerden drieduizend oudere werknemers, 800 ex-werknemers en hun partners. Bij de leidinggevenden wordt nauwelijks enige urgentie gezien om de ouderen langer vast te houden. Zij zien het als een privé-beslissing, die met ,,een haast onverschillige afstandelijkheid'' wordt aanschouwd. In het onderzoek werden 26 hoofden van afdelingen zeshonderd specifieke casussen voorgelegd: bijvoorbeeld een oudere werknemer die een moeilijk vervulbare functie heeft, gemotiveerd en breed inzetbaar is, terwijl het bedrijf groeit. Als de werknemer zegt te willen stoppen, dan wordt er meestal niets meer geprobeerd.

En dat terwijl éénderde van de gepensioneerde werknemers aangeeft dat ze nog een jaar langer hadden willen doorwerken als er sprake was geweest van een stimulerende werkomgeving en een verzoek om nog niet te gaan. De oudere werknemer wil vooral het gevoel hebben dat zijn werk wordt gewaardeerd.

Riante vut-regelingen zijn de afgelopen jaren omgebouwd tot pre-pensioenregelingen. Bij de vut was sprake van een omslagstelsel: de zittende werknemers moesten het inkomen van de vutter ophoesten. Dit werd onbetaalbaar. Prepensioen is direct gerelateerd aan het eigen arbeidsverleden en de premiebetalingen. Het geeft werknemers een individuele mogelijkheden, die wel een prijs hebben, om zelf het moment van uittreding te bepalen. Henkens: ,,Maar het gevolg is wel dat er geen collectief middel meer is om het te beïnvloeden''.

Secretaris-generaal J.W. Oosterwijk van het ministerie van Economische Zaken bepleitte vorige week nog vervroegd uittreden financieel minder gunstig te maken. Er zijn volgens hem nog steeds te ,,royale arrangementen''. Maar de NIDI-onderzoekers onderschrijven dit maar ten dele. Geld heeft een beperkte invloed. De werknemers moeten zich het wel financieel kunnen veroorloven om er mee op te houden; de meesten willen ongeveer 70 procent van het laatst verdiende netto loon overhouden. Maar bonussen om langer te werken genieten alleen belangstelling bij de ouderen die dat toch al van plan zijn.

De onderzoekers weten niet dé oplossing om de arbeidsdeelname van ouderen te verhogen. Het is een weerbarstig probleem; het heeft vooral te maken met waardering en motivatie. Meer vrije tijd blijkt ook geen oplossing te zijn.

Maar soms kan het eenvoudig zijn. Een chef van een financiële afdeling zegt: ,,Op een gegeven moment was er een probleem en toen dacht ineens iemand `we hebben Karel nog'. Afijn, er is met Karel gepraat, zo van `we willen je nog graag een paar jaar houden'. Hij wilde wel. Hij was eigenlijk een oude bromsnor, maar dat gesprek motiveerde hem enorm en hij bloeide zelfs helemaal op.''

    • Herman Staal