De versteende tuin

Onwaarschijnlijk veel parken, begraafplaatsen en tuinen in Nederland zijn ontworpen door de tuinarchitect en dendroloog Leonard Springer, over wie in het Teylersmuseum in Haarlem een tentoonstelling is te zien. Die tentoonstelling, en vooral het bijbehorende boek van Constance Moes, is een mijlpaal, want de tuinkunst en alles daaromheen was tot voor kort in Nederland een verwaarloosd onderwerp. Hoeveel mensen er ook aan deden, tuinieren werd tuttig gevonden, iets voor kleinburgers en luxe dames. En parken, ach, dat was maar nepnatuur.

Hoe ontstaat zo'n blinde vlek voor een prachtig onderdeel van de beschaving? Het heeft ongetwijfeld met het Nederlandse modernisme te maken. In het land waar gebouwen strak en hoekig hoorden te zijn, waar architecten liever flats dan huizen met tuintjes maakten en waar `vernieuwend' het hoogste compliment was (we hebben het nu over de culturele elite, niet over normale mensen) – daar verwierf je meer achting als je sprak over functioneel groen, dan als je het had over theerozen.

Tuinieren als liefhebberij voor burgers bestond nog niet eens zo lang toen het modernisme opkwam. De erudiete, romantische Springer (1855-1940) werkte in de tijd waarin voor het eerst mensen in villaparken buiten de stad gingen wonen. Rondom hun nieuwe huizen lieten zij een heel nieuw type tuinen aanleggen. Ze waren veel kleiner dan de de parkachtige tuinen van weleer. Die waren ontworpen met slingerende paden, pittoreske bosjes en een enkele vijver of rotspartij. Die parkstijl paste niet zo bij villatuinen.

Omstreeks 1900 ontstond dan ook een nieuwe tuinstijl. De tuin werd een verlengstuk van het huis, met openslaande deuren en een terras om thee te drinken. Muurtjes en heggen schiepen afwisseling op kleine schaal, er kwamen bloembedden voor de kleur en wat gras voor een spelletje croquet. De sfeer was Engels, en ingewijden spraken van de `architectonische tuinstijl'.

Springer zag er niet veel in. Hij vond het maar gepriegel, hij miste de grootsheid van de natuur en vooral de bomen waar hij zo van hield. Een tuinontwerp hoorde volgens hem niet dienstbaar te zijn aan de architectuur, maar aan het landschap en de planten. Toch ontkwam hij er niet aan; naast zijn fraaie, romantische parken en begraafplaatsen heeft ook hij kleinschalige villatuinen gemaakt, met terrassen en rechte paadjes.

Vanaf 1930 ging de tuinkunst in Nederland ondergronds, geminacht door het modernisme. Pas vanaf 1990 raakte zij weer in de mode. Tuincentra schoten als paddestoelen uit de grond, er kwamen nieuwe tuinbladen en tuin-tv-programma's, het volkstuinwezen bloeide. Zelfs intellectuelen kregen belangstelling voor het onderwerp, zoals de Springer-tentoonstelling laat zien.

Maar wat voor tuinen hebben al die mensen die nu ineens, op de valreep van de eeuw, liefhebbers werden? De bezoekers van tuincentra, de kijkers naar `In Holland ligt een tuin'? Het zijn tuinen als uitbreiding van het huis, nog veel meer dan bij de villabewoners anno 1900. Een extra kamer, zoals dat heet. Met muurtjes, pergola's, potten, een vaste barbecue en heel veel terras. Hun eigenaren gaan buiten zitten zodra de zon schijnt, maar ze kunnen nog geen roos van een chrysant onderscheiden. Aan spitten doen ze niet.

`Sociale buitengenieters' worden de nieuwe tuinliefhebbers genoemd in een recent marktonderzoek. De tuinbranche als geheel groeit als kool, maar de omzet zit steeds meer in het meubilair en de tegels. Het aandeel van de planten slinkt, de afzet van boomkwekers daalt. Het is het late, doorslaande succes van de architectonische tuinstijl in Nederland. Als Leonard Springer ervan hoorde in zijn rustplaats, de door hemzelf ontworpen begraafplaats van Bloemendaal, zou hij zich omdraaien in zijn graf.

    • Ileen Montijn