Amnestie als buitenlandse politiek

Het besluit van George Ryan, de gouverneur van Illinois, om de doodstraf voor alle 167 in zijn staat ter dood veroordeelden in levenslang te veranderen, heeft wereldwijd bijval gekregen. Hij kan een felicitatieregister openen. De secretaris-generaal van de Raad van Europa, de president van Mexico, de nieuwe minister van Justitie in Kenia (waar meer dan duizend mensen op de voltrekking van hun vonnis zitten te wachten), de Internationale Commissie van Juristen, Amnesty International, een stroom van particuliere gelukwensen. Het is lang geleden dat een Amerikaanse politicus uit alle windstreken zo veel sympathie heeft gekregen. Er klinkt een toon van opluchting.

De Amerikaanse doodstraf is binnen en buiten Amerika een controversiële zaak. Een minderheid van de Amerikanen is het met verreweg de meeste Europeanen en een groeiend deel van de rest van de wereld eens, dat het een wrede, barbaarse, onmenselijke straf is. Dat is het ethisch principe. Verder is er geen bewijs voor de preventieve werking, zoals de cijfers van de misdaadstatistiek leren. Dat is het criminologisch argument. Ten derde is wetenschappelijk telkens vastgesteld dat in Amerika zwarte en arme verdachten een grotere kans hebben dan blanke en rijke, dat het vonnis wordt uitgesproken en voltrokken. Hier gaat het dus om discriminatie. Tenslotte is het niet denkbeeldig dat, bijvoorbeeld door valse getuigenverklaringen, slordig vooronderzoek, onverschilligheid van de rechters en de verdediging, een onschuldige het slachtoffer wordt. Noem het de technische kant.

Over deze vier aspecten zijn intussen bibliotheken vol geschreven. In 1972 was het Hooggerechtshof door dit alles overtuigd en stelde een moratorium in. Dat werd in 1976 ongedaan gemaakt. Sindsdien zijn er 820 vonnissen voltrokken, waarvan 285 in Texas, dat is meer dan drie maal zoveel als in de volgende staat, Virginia. Goeverneur Ryan heeft, zoals uit zijn toespraak blijkt, die kans op vergissingen en ingebouwde willekeur niet meer voor zijn rekening willen nemen. Intussen hebben de openbare aanklagers in Illinois laten weten dat ze hun best zullen doen, de cellen van death row weer van bewoners te voorzien.

Wat heeft het besluit van Ryan met de dreigende oorlog in Irak te maken? Een jaar geleden lanceerde president Bush zijn theorie van de As van het Kwaad, gevestigd in Irak, Iran en Noord Korea. Een half jaar later volgde de Bush-doctrine, waarmee deze regering voor zichzelf een eenzijdig ondernomen preventieve oorlog rechtvaardigde. Omstreeks die tijd werd in Washington ook ontdekt dat het imago van Amerika te wensen over liet. Daarom werd besloten de natie, en in het bijzonder het beleid van deze regering, in het buitenland beter te `verkopen'. In de Koude Oorlog waren daarvoor speciale instellingen, The Voice of America, de U.S.Information Service, uitwisselingsprogramma's, het Peace Corps en in Salzburg een instituut waar Europeanen zich konden verdiepen in alles over Amerika. Ik denk dat vele duizenden Europeanen goede herinneringen aan één van deze instellingen bewaren. Uit eigen ervaring weet ik hoe grondig en genereus het werd aangepakt. Het resultaat van dit alles was dat `Amerika' nabij en verwant, zo niet eigen was.

Na de Koude Oorlog verdween de noodzaak voor dit soort van activiteiten. De grote worsteling was voorbij, en vooral in de jaren negentig mondialiseerde de Amerikaanse cultuur zich verder vanzelf. In de jaren van president Clinton, die zich met natuurlijk gemak de allure van een wereldburger verwierf, leek het anti-amerikanisme in Europa voorgoed verdwenen.

Toen trad George Bush aan, via een rommelige procedure die voor de gemiddelde Europeaan al onbegrijpelijk was. In hoog tempo begon hij te verwezenlijken wat hij had beloofd: een conservatief programma van unilateralisme. De elfde september leek daarin een breuk te hebben veroorzaakt. Het hele westen en een groot deel van de rest van de wereld verklaarde zich solidair met Amerika in de strijd tegen het terrorisme. Maar na de voorlopige overwinning in Afghanistan verdween Osama bin Laden voor Washington naar het tweede plan. Zijn plaats werd ingenomen door Saddam. Alle bondgenoten van Amerika spannen zich, naar eigen vermogen, al een half jaar in om die oorlog te vermijden. Daarvoor hebben ze een lange lijst van goede redenen, te bekend om hier nog eens op te sommen. Het saldo van deze oorlog, vrezen ze, zal vergroting van de mondiale chaos zijn. Nadat Saddam weer in het vizier was genomen, is niet alleen de beredeneerde kritiek maar ook het ouderwetse, doodgewaande anti-Amerikanisme weer zienderogen toegenomen.

Saddam is een onwenselijke dictator. Daar is men het in het westen vrijwel over eens. Dreigen met oorlog is een legitiem politiek middel als er een redelijk vooruitzicht bestaat dat daarmee het doel wordt bereikt. Dreiging moet geloofwaardig zijn. Tot zover valt de politiek van dit Amerikaanse bewind te volgen; het heeft een logica waarmee we het nog niet eens hoeven te zijn om het te kunnen begrijpen.

Maar het imago van Bush en de zijnen doen anders vermoeden. Er straalt een verlangen naar de oorlog uit. Pogingen tot matiging van derden, van Koffi Annan tot de paus, van Hans Blix tot Gerhard Schröder, worden eerder als hinderlijke bemoeizucht ervaren. Saddam is veroordeeld, en koste wat het kost, het vonnis moet nu worden voltrokken, tot iedere prijs. Dàt is wat het imago van Bush, Rice, Rumsfeld, Wolfowitz en Ashcroft de wereld vertelt. Het Washington van deze president straalt een grimmige ontoegankelijkheid uit. Dat geldt niet alleen de misschien aanstaande oorlog, maar in alle opzichten, van klimaatbeheersing en geboortebeperking in de Derde Wereld, tot de behandeling van krijgsgevangenen in Guantanamo en de weigering om een bemiddelende rol te vervullen in het Palestijns-Israëlisch conflict.

Europa is niet anti-Amerikaans. Het verlangt naar het andere Amerika, dat er ook is. Vandaar dat de maatregel van goeverneur Ryan hier met zoveel opluchting is begroet. Dit is het Amerika dat hier `verkoopbaar' is.