Hup, Holland hup

,,Nederland is trots op het grandioze resultaat van vanavond.'' Met deze woorden zou de demissionaire premier Jan Peter Balkenende in een vluchtig telefoontje zijn felicitaties hebben overgebracht aan Raymond van Barneveld na diens pijltjessucces in Frimley Green.

Boze tongen betichten de demissionaire premier van stemmen-zaaisel. Iets minder boze tongen verwijten Balkenende betrokkenheid bij een irrelevant maatschappelijk verschijnsel. Mijn eigen boze tong verklaart de liefde aan deze christelijke schuinsmarcheerder: waar een gat is, daar valt iets te neuken.

`Hup, Holland hup.'

Ik was 23, ik had schulden. Ik had een auto gekocht op afbetaling. Geen bijzondere auto, een reiswagen, een Peugeot 504 met LPG-installatie, een kilometer of honderdduizend op de teller, een beroepswielrenner moest zich kunnen verplaatsen. Zo ging ik de Tour de France van 1981 in. En zo kwam ik er ook uit, met schulden en al.

Maar ik had iets belangrijks gewonnen, een bergrit, op de Franse nationale feestdag, op de Nederlandse partyberg l'Alpe D'Huez. Ik ontving geen lullig telefoontje van de demissionaire minister-president, de toenmalige demissionaire minister-president was aanwezig. Sterker nog, hij had de hele autorit tot kokhalzen toe in een volgwagen achter de kopgroep voor het peloton gezeten. En hij omklemde na afloop mijn handen in de zijne terwijl hij uitriep: ,,Ik heb maar twee handen, maar ik geef je ze allebei''.

`Hup, Holland hup.'

De demissionaire minister-president was de dag na de Tour de France aanwezig in Boxmeer om het startschot te lossen voor het eerste van de ongeveer dertig criteriums waarin onze Tourhelden acte de presence gaven. Ik ving fors startgeld. Ik herinner me het kleedlokaal van de sporthal in Boxmeer na afloop. Ik lag uitgeput en zieltogend onder een houten bank op de grond en realiseerde me dat een fors startgeld zijn prijs had.

`Hup, Holland hup.'

Ik reed toen vele criteriums, ik was in staat om mijn schulden af te lossen. Wat zeg ik, ik hield geld over.

Het leuke van die criteriums was dat je uiteindelijk van het besef doordrongen raakte dat een escapade op een Nederlandse partyberg in Frankrijk een half volk in extase had gebracht.

`Hup, Holland hup.'

In het najaar was ik uitgeblust. Mijn ploegleider liet me rijden in een paar najaarsklassiekers maar ik kon toen geen potten meer breken. In het najaar kwam ook die voorlopige aanslag voor de inkomstenbelasting. Toen ik alles betaald had stond ik op een saldo van ongeveer nul. Vanaf die tijd neem ik enige reserve in acht wanneer het `Hup, Holland hup' weerklinkt. Vanaf die tijd kon Nederland als vaderland me mijn reet roesten.

    • Peter Winnen