Europees sociaal beleid kan wel

In NRC Handelsblad van 2 januari betoogden Oudshoorn en Russchen dat Raad, Parlement en Commissie van de Europese Unie zich uitsluitend zou moeten bezighouden met brede grensoverschrijdende problemen en niet met details en ook niet met zaken waarover bij de lidstaten geen overeenstemming bestaat. In algemene zin kan men het er daar wel mee eens zijn. Zij vragen in dit verband om een lijst van onderwerpen waar de EU geen wetgevende bevoegdheid heeft: een `negatieve bevoegdheid' catalogus. Naar hun mening behoren onder andere op deze lijst te staan: het arbeidsmarktbeleid, de lonen en arbeidsvoorwaarden, de sociale zekerheid en de sociale bescherming.

Merkwaardig hierbij is dat sedert 1957 bij verdrag is bepaald dat het sociale beleid reeds op de lijst staat. De verdragsluitende partijen zijn er toen vanuit gegaan dat zogeheten algemene concurrentieverstoringen, die zouden kunnen voortvloeien uit verschillen in sociaal beleid, zouden kunnen worden rechtgetrokken door algemene prijsaanpassingen en aanpassingen van de wisselkoersen. Nu de euro er is gaat deze vlieger voor de Eurolanden niet meer op. Dat blijkt, nu het ontbreken van harmonisatie van sociaal beleid in al zijn aspecten te voorschijn komt. Verschillen in arbeidsvoorwaarden in de verschillende landen bijvoorbeeld in minimumlonen, algemeen verbindende CAO's, ontslagregelingen, pensioenregelingen of pensioenpremies veroorzaken kostprijsverschillen die niet zijn gebaseerd op verschillen in productiviteit. Daarnaast is de mogelijkheid van loonconcurrentie tussen de lidstaten in deze tijd van tegenspoed geenszins uitgesloten. Ook deze loonconcurrentie kan niet meer worden gecorrigeerd door wijziging van de wisselkoers. Het is niet meer terecht te betogen dat het sociale beleid geen zaak is van de EU.

Men kan het eens zijn met de auteurs van het genoemde artikel als zij bedoelen dat de Europese autoriteiten op dit gebied nu niet plotseling van alles moeten gaan regelen. Maar de EU is natuurlijk meer dan alleen EU-Raad, Commissie en Europarlement. Zij constateren terecht dat er op dit terrein een taak ligt voor de `sociale partners' werkgevers en werknemers. Overigens, zou iemand naïef kunnen opmerken, hadden de sociale partners dit niet eerder kunnen zien aankomen? De indruk bestaat veeleer dat de sociale partners in de afgelopen halve eeuw weinig hebben gedaan om zelf met oplossingen te komen voor een geharmoniseerde sociale aanpak. In elke lidstaat gaat men zijn eigen gang aangaande het loon- en arbeidsvoorwaardenbeleid, de sociale zekerheid, het arbeidsrecht en het sociale-zekerheidsrecht in het algemeen, zonder te kijken hoe het gemeenschappelijk kan. En daarbij vormen de sociale partners geen uitzondering. Tegelijk staan de Europese autoriteiten buitenspel, omdat de immuniteit van het sociale beleid sinds 1957 bij verdrag geregeld is.

De verdragen die aan de EU ten grondslag liggen, ademen een liberale geest. Ze regelen het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal op basis van een werkzame concurrentie. Voor het sociale beleid regelen ze daarentegen vrijwel niets. De nationale lidstaten behouden de vrije hand. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Er zijn krachten aan het werk waarop de nationale en Europese autoriteiten geen vat hebben, en de sociale partners ook niet. Te denken valt aan de vergrijzing van de bevolking, de toenemende privatisering, de globalisering van markten, de groei van de informele sector, de ruimere interpretering van de verdragen door het Europese Hof, en de budgettaire problemen van de nationale overheden. Tezamen maken die dat de wereld en daarmee de sociale verhoudingen veranderen, op een wijze die door niemand wordt gestuurd. Tenzij de partijen in het sociale veld zelf het initiatief nemen en komen tot een gezamenlijke aanpak van het sociale beleid.

Hier ligt een uitdaging voor alle betrokkenen. Men komt niet verder door te zeggen dat het sociale beleid geen zaak is voor de EU.

Dr. Dirk van der Werf is auteur van `The Social Face of the Euro'.