Verdwaald op de aardbol

De schrijver Alfred Kossmann mocht graag beweren dat hij zich een toerist in het leven voelde. Hij reisde veel en schreef daar prachtig over, en ook zijn romanpersonages liet hij veel reizen. Zij voelden zich ook nogal eens een toerist in het leven, en als ze reisden snakten ze ernaar om te ervaren wat ze meemaakten, want tussen die twee begrippen maakten Kossmann en zijn personages een duidelijk onderscheid. We maken zoveel mee, maar lang niet alles daarvan gaat tot onze ervaring behoren.

Ik denk veel aan hem en aan deze overwegingen nu ik alweer een week in Zuid- Afrika ben. In een vreemd land is er veel dat kortstondig een indruk op je maakt, àlles komt eigenlijk wel in aanmerking voor een indruk. De ten zuiden van Kaapstad langs de oceaan kronkelende kustweg, de brand die daar een paar dagen geleden uitbrak en die dagen lang doorsmeulde, de helikopters die je hun emmers in zee ziet plonsen om ze even later te legen boven de heuvels. In de idiote kranten die hier circuleren staan foto's van driekwart pagina groot, met koeien van koppen: `Camps Bay inferno', zodat er heel wat aan de hand lijkt. Veel ervaring komt er niet aan te pas.

Vanuit het huis in Houtbaai waar ik logeer, een rijk vissersplaatsje onder Kaapstad, kijk je uit over het naar zee lopende dal, de bergen met hun groenblauwe kleuren die zo typerend zijn voor hier, en aan de overkant van het dal ligt een gedeeltelijk legale, gedeeltelijk illegale krottenwijk. Het leven daar is totaal anders dan hier. Bij de stoplichten beneden, daar waar de kustweg Houtbaai in of uit gaat, zitten altijd zwarten te zitten op te stoep, te wachten of iemand ze misschien een werkje aanbied. 's Ochtends staan er veel mensen te liften, ook altijd zwarten. De bestuurders van de auto's, veelal dure auto's, zijn over het algemeen wit. Dus dan denk je het wel weer te weten. Eenvoudige tegenstellingen tussen arm en rijk, zwart en wit.

Dat is ook niet onwaar. Maar je weet eigenlijk niks. Wel dat de vrouw die van `daar', `hier' komt schoonmaken in haar golfplaten hut een ijskast en een televisie heeft. Niet dat ze een mobiele telefoon heeft en een lopende rekening bij een modezaak waar ze haar leuke kleren koopt. Dat bedenk je niet zo snel omdat het niet past in het eenvoudige toeristische verhaal dat je alweer over de wereld aan het leggen was, het past minder vanzelfsprekend in je idee van armoede en prioriteiten. Zulke dingen moet iemand je vertellen, ze horen tot het echte leven, ze komen niet mee met de oppervlakkige indrukken die je krijgt.

Al spreekt het eigenlijk nogal vanzelf. Mensen besteden altijd tijd en aandacht aan dingen die het leven kunnen verfraaien en veraangenamen. Mooie kleren. Mooie voorwerpen. Beeldjes. Schilderingen. In alle culturen, van de vroege Myceense tot de Bosjesmannen, altijd en overal brengen mensen versieringen aan. De krottenwijken hier, die er zo deprimerend uitzien, blijken als je erin gaat wat ik vorig jaar deed weliswaar niet ineens ontzettend gezellige buurtjes te zijn, maar er zijn groentewinkeltjes en kapsalons en (mobiele) telefooncentra, mensen hebben van binnen hun muren in verschillende kleuren geverfd en kleine meisjes in de crèche die er ook blijkt te zijn, hebben hun haar in veel vlechtjes om hun hoofd hangen.

En dan de misdaad. Naarmate je dichter bij Kaapstad komt zie je meer tralies voor de ramen van de huizen. Winkels hebben soms getraliede deuren waaraan je moet aanbellen om naar binnen te kunnen. Op elk tuinhek zit een bordje waarop vermeld staat welke veiligheidsdienst hier waakt, er staat `Armed response', er loopt een vervaarlijk blaffende hond. Het wordt aangeraden alle portieren van je auto op slot te doen als je rijdt, 's avonds niet bij stoplichten te stoppen, auto's hebben plakkertjes die zeggen dat een satelliet ze gaat terugvinden als ze gestolen worden. Al die dingen, en dat wat je weet en leest, maken schichtig. De dichteres Joan Hambidge schrijft in een gedicht: ,,Almal ken 'n iemand van 'n iemand/ wat moord oor sy voorhek sien kom het soos 'n opskepgas''. Toch denken veel mensen die hier wonen dat het wel mee zal vallen en los zal lopen. Ze zijn gewend aan de maatregelen die ze nemen. `Een iemand van een iemand' is net ver genoeg weg. De auto die ik in een Kaapstadse straat parkeerde bleek toen ik terug kwam van een afspraak niet alle portieren op slot te hebben. Ook vergeten het radiofrontje eruit te halen. Niet slim, niet erg. Zo gewoon is het ook wel weer.

In de krant staat een groot stuk over hoe de politie de hele wijk overhoop haalde, na een inval bij een shebeen (een illegale kroeg) in Athlone, een armoedige wijk op de Cape Flats, de uitgestrekte ellendige vlaktes vol armoedebebouwing. Agenten trapten deuren in, gooiden ijskasten leeg, werkten willekeurige mensen tegen de grond, sloegen kinderen. Paniek en ellende, veroorzaakt door degenen die als beschermers op zouden moeten treden.

De ochtend nadat dat gebeurd is, zit ik met een dichter in een café. We praten: over regellengtes en prosodie, over of het gedicht begint met een beeld of een ritme, over het belang van muzikaliteit en het raadsel van de taal. Op dat gebied begrijpen we elkaar. Toch praten we ook subtiel langs elkaar heen soms het Afrikaans is bedrieglijk, ze zeggen de dingen hetzelfde maar bedoelen ze anders. `Een vrouwmens' is heel positief. `Ruggespraak' heeft iets stiekems. Zulke dingen.

Zo weinig begrijp je van de wereld waarin je rondloopt, domme toerist, verdwaald op de aardbol. ,,Die hemel behoed ons, sê al die voëls'' dichtte Wilma Stockenström.

    • Marjoleine de Vos