Van Zweden kan het nog op de viool

Nu Jaap van Zweden zich geheel op het dirigeren heeft gestort, is het een zeldzaam evenement hem weer eens als violist aan het werk te horen. Samen met altviolist Joeri Basjmet soleerde Van Zweden dit weekend op uitdrukkelijk verzoek van Concertgebouwdirecteur Martijn Sanders driemaal in Mozarts Sinfonia concertante, die hij tevens zelf dirigeerde.

Bijna acht jaar geleden maakte Van Zweden in diezelfde Sinfonia concertante zijn officiële debuut als dirigent, en toen al werd zijn visie op Mozart geprezen om de vitaliteit. Vrijdag zette Van Zweden zijn strijkstok als een floret in voor wel heel sierlijke dirigeeraanwijzingen, en realiseerde zo opnieuw een snelle, van zicht- en hoorbaar ongedwongen speelplezier sprankelende Mozart.

Het is typerend dat Van Zweden, die eerder zei nooit meer viool te spelen en zijn instrument daadwerkelijk twee jaar niet aanraakte, uiteindelijk tóch zijn oude rol hervond met een benijdenswaardige vanzelfsprekendheid en drie doffe nootjes ten spijt – geenszins verminderde virtuositeit. In het Presto mengde Van Zweden zich met de rug naar de zaal zelfs even als een `Stehgeiger' tussen het orkest.

Vooral in de onbegeleide cadensen haakten altviolist Joeri Basjmet en Van Zweden met hun solopartijen spannend op elkaar in. Basjmet wortelt met zijn voorliefde voor breed uitgesponnen melodieën in een andere speelschool dan Van Zweden, wiens klankideaal in Mozart hoorbaar schatplichting is aan Harnoncourt. Maar juist het samengaan van die twee werelden leidde hoewel niet steeds even perfect wél tot een `authentiek' concerterend, soms bijna duellerend soort duetteren.

Van Zwedens rentree als violist vormde het hart van een attractief programma dat begon met Bruchs donker mineurende, introspectieve Kol Nidrei (in een bewerking voor altviool) en besloot met Saint-Saëns ietwat pompeuze maar daarom niet minder aansprekende Derde symfonie (Orgelsymfonie).

Joeri Basjmet ontroerde in Kol Nidrei met zijn duister glanzende altviooltoon en risicovolle, semi-improvisatorische aanpak, al behoefde de wisselwerking met het orkest juist daardoor nog enige aanscherping.

Hoezeer Van Zweden als dirigent is gerijpt, bleek nog het sterkste uit de effectvolle manier waarop hij gestalte gaf aan de klassieke vorm en romantische inhoud van Saint-Saëns Orgelsymfonie. Hier maakte het Residentie Orkest indruk met gonzend warme strijkers in het Adagio en stevig klaroenend koper.

In het licht van zo'n begin bereikte Van Zweden een des te sterker effect met de totaal andere, ongrijpbaar zilveren strijkersklank aan het begin van het Maestoso.

Dat dit Van Zwedens eerste kennismaking als dirigent met een groot orgel betrof, was niet te horen aan het samengaan tussen orkest en het onder Leo van Doeselaar koninklijk bulderende Maarschalkerweerdorgel. Van Zweden liet het woest bulderende en het filmisch etherische in dit slotdeel klinken zonder angst voor effectbejag, en eiste en oogstte zowel in tempokeuzen als dynamiek grote concentratie.

Met strak uitgevoerde vertragingen en versnellingen vergezelde het Residentie Orkest Saint-Saëns zo vaardig op diens pirouette op de grens tussen reuzenromantiek en bombast.

Concert: Residentie Orkest o.l.v. Jaap van Zweden (viool) m.m.v. Joeri Basjmet (altviool) en Leo van Doeselaar (orgel). Programma: M. Bruch: Kol Nidrei; W.A. Mozart: Sinfonia concertante; C. Saint-Saëns: Symfonie nr 3. Gehoord: 10/1 Concertgebouw, Amsterdam.

    • Mischa Spel