Spatjes hebben

Prullenmanderen. Vorige week schreef ik nog dat ik sommige taalpuzzels alleen had kunnen oplossen dankzij de medewerking van lezers. Dat geldt ook voor de herkomst van het woord prullenbakkéren. Zoals bekend werd dit woord eind vorig jaar door demissionair minister Johan Remkes gebruikt in de Tweede Kamer. In een discussie met Peter Rehwinkel zei hij: ,,Het Strategisch akkoord staat wat mij betreft niet op losse schroeven en wordt niet geprullenbakkeerd.'' Nadat de Kamer was uitgelachen, vervolgde Remkes: ,,Voorzitter. Ik constateer dat er enige hilariteit over mijn woordgebruik ontstaat. Ik realiseer mij dat ik op dit ogenblik een nieuw werkwoord toevoeg.''

Maar was dat wel zo? Een lezer schreef hierover: ,,Van 1987 tot en met 1996 werkte ik bij het Ministerie van Economische Zaken. Uit die tijd herinner ik mij het woord prullenmanderen. Dat was in ambtelijke kringen geen zeldzame term, zij het ook niet dagelijks spraakgebruik. Voor prullenmand werd ook wel cilindrisch archief gebruikt.''

Inmiddels denk ik dat Remkes zich gewoon versprak. Hij zocht naar prullenmanderen, dat al in 1993 door een krant is opgetekend, maar produceerde prullenbakkéren – en daarmee een gewrocht.

Spatjes hebben. Een paar dagen geleden gebruikte deze krant de uitdrukking spatjes hebben voor `kapsones hebben'. Nou is dat niet de eerste keer, maar in dertien jaar digitaal NRC-archief vond ik slechts drie andere voorbeelden, dus echt gewoon is het niet. Dit keer stond het zelfs in een kop, en wel boven een portret van Peter Elverding. In het stuk zei iemand over de bestuursvoorzitter van DSM: ,,Elverding is een degelijke topman. Geen spatjes, geen glamourboy. Een beetje saai.'' En dus luidde de kop: `Geen glamourboy, geen spatjes'.

Spatjes hebben is typisch spreektaal. Het is een uitdrukking die je eerder op het schoolplein of bij een straatruzie verwacht dan in een krant. ,,Wat nou? Heb-ie spatjes dan?!'' Of: ,,Spatjes? Spatlap kopen!'' Wij zeiden vroeger trouwens spaties (spreek uit: `spaatsies'). Beide varianten staan in de Grote Van Dale, maar spaties komt in de digitale leggers van deze krant helemaal niet voor. Dat verbaast me niks, want spaties klinkt en oogt nóg iets platter. Wij danken spatjes en spaties hebben of maken overigens aan het Duitse Spaß dat `scherts, lol, grap' betekent. Het werd bij ons aanvankelijk gebruikt voor `drukte, ophef, inbeelding, lol'.

Woordeloos.Verdriet komt in soorten en maten en daar zijn veel woorden en uitdrukkingen voor. Maar er is ook verdriet dat je niet of nauwelijks onder woorden kunt brengen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het verdriet van ouders die een kind hebben verloren. Uit eigen ervaring weet ik dat dit je een tijdlang sprakeloos achterlaat. Dat zal ook de reden zijn waarom er over dit onderwerp relatief weinig is geschreven. Een van de mooiste dingen die ik hier ooit over las is het boekje Schaduwkind van P.F. Thomése, dat zojuist is verschenen als nieuwjaarsgeschenk van een aantal uitgeverijen, waaronder Veen, Atlas en Augustus.

Het is Thomése zelfs gelukt om die sprakeloosheid onder woorden te brengen – om te verwoorden hoe taal je op zo'n moment in de steek laat. Zo schrijft hij: ,,Er is nog iets anders. Dat is de taalkwestie, de kwestie van de mededeelbaarheid. Je weet het, maar je weet niet hoe je het zou moeten zeggen. Alle woorden die je aantreft, lijken geleend, niet van toepassing. Er is niet `iets vergelijkbaars' voorhanden. Geen voorbeelden ter navolging.''

En hij schrijft ook: ,,Een vrouw die haar man begraaft, wordt weduwe genoemd, een man die zonder zijn vrouw achterblijft, weduwnaar. Een kind zonder ouders is een wees. Maar hoe heten vader en moeder van een gestorven kind?''

Ik hoop van harte dat dit boekje ook in de handel komt want het verdient veel lezers.

Reacties naar de Achterpagina of naar sanders@nrc.nl. Zie ook Woordhoek op vrijdag op www.nrc.nl

    • Ewoud Sanders