Met gebalde vuist

,,Als u niet van mij houdt, dan kan ik u één ding zeggen: ik houd ook niet van u!'', zo luidden de historische woorden waarmee Maurice Pialat, een gebalde vuist in de lucht, het publiek in Cannes toesprak. Het jaar was 1987, de gelegenheid de uitreiking van de Gouden Palm aan Pialats film Sous le soleil de Satan. Een deel van dat in avondkleding gestoken publiek had boe geroepen toen Pialats als winnaar aangekondigd werd. Ze vonden zijn film over een priester met geloofstwijfels (Gérard Depardieu) te rigide, te zwaar, te weinig verheffend. Hij had het allemaal al eerder meegemaakt: het onbegrip, de domheid, de vooroordelen. Op het moment van zijn grootste triomf kon Pialat niet anders dan boos worden.

De in de nacht van vrijdag op zaterdag in zijn huis in Parijs op 77-jarige leeftijd overleden filmregisseur leed aan hoge bloeddruk en problemen met zijn nieren. Liefhebbers van Pialat vroegen zich al een tijdje af waar hij toch mee bezig was, sinds het floppen van zijn laatste film Le garçu (1995). Hij maakte in totaal twaalf lange speelfilms, zonder uitzondering ruige edelstenen vol intense, authentieke emoties. Maurice Pialat werd geboren in 1925 in Cunlhat in de Auvergne, en wilde aanvankelijk schilder worden. Het lukte niet daar zijn brood mee te verdienen, dus werd hij arbeider in een fabriek van typemachines. Ondertussen legde hij zich toe op camerawerk. Een korte documentaire uit 1960, L'amour existe, won verschillende prijzen. Zijn speelfilmdebuut met niet-professionele jonge acteurs was L'enfance nue (1969), maar internationaal viel hij het eerst op met de tv-serie La maison des bois (1970-71), een wonderlijk geserreerd portret van een boerengemeenschap. Het grote succes kwam met Nous ne viellirons pas ensemble (1972), maar beter was de snoeiharde en tedere speelfilm over ziekte en dood La gueule ouverte (1974). Na het klasseportret Passe ton bac d'abord (de eerste in Nederland uitgebrachte Pialat-film, 1979) volgden meesterwerken waarin beroemde sterren zich lieten uitschelden en tot onthullende topprestaties lieten ophitsen: Isabelle Huppert en Depardieu in Loulou (1980), de debuterende Sandrine Bonnaire in À nos amours (1983) en Jacques Dutronc in Van Gogh (1991).

Filmers als Pialat - provocateurs, observatoren, voorstanders van lange, ongemonteerde scènes, roofdieren die acteurs en publiek wel rauw lustten - daar zijn er nooit veel van geweest. Pialat was een man van eenvoud en van superlatieven, een volstrekt unicum. De Franse cinema en de cinefielen in de rest van de wereld zijn een held verloren.

    • Hans Beerekamp