Cello en orkest

,,Ik ben in vijfendertig jaar tijd eerste cellist geweest van drie orkesten. Ik begon bij het Residentie Orkest. Daar zat ik eerst nog aan de tweede lessenaar, maar dat vond ik wel best. Tijdens mijn opleiding had ik in een orkest alleen nog opera gespeeld, en dit was een rustige manier om repertoirekennis op te doen. Daar kwam bij dat ik altijd iets heb gehad met het Residentie Orkest. Als scholier in Leiden heb ik in 1962 gespijbeld om bij het eerste Nederlandse optreden van Rostropowitsj te kunnen zijn!''

De cellist Harro Ruijsenaars (1945) had les van Maurice Gendron en heeft een repertoire van meer dan dertig celloconcerten van Vivaldi tot Goebaidulina. Sinds september 2001 is Ruijsenaars solo-cellist van het Residentie Orkest. Woensdag speelt hij met vijf collega-strijkers uit het orkest een door hem zelf samengesteld kamermuziekrecital in de Nieuwe Kerk in Den Haag.

,,In 1968 werd ik aangenomen als eerste cellist van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Dat gold toen als een wat minder goed orkest. Zodra de bouw van De Doelen was voltooid, werd tegen de musici gezegd: ,,Wij hebben nu een schitterende zaal en daar willen we een adequaat orkest bij. Graag met u, maar eventueel ook zonder u! Dat leidde tot afvloeiingen. Het was niet makkelijk, wél juist. Nu is het Rotterdams Philharmonisch inderdaad een nationaal én internationaal geroemd orkest geworden.

,,In 1977 volgde ik Tibor de Machula op bij het Concertgebouworkest. Een echt grote stap was dat niet, omdat enkele collega's vanuit Rotterdam me al waren voorgegaan. Maar evengoed, het Concertgebouworkest heeft een totaal andere cultuur. Rotterdam is wilder, rauwer. Amsterdam is gevestigd en gelauwerd, en dat is merkbaar aan de sfeer. Maar muzikaal was het heerlijk. De zaal, de dirigenten, al werkten in Rotterdam óók grote dirigenten. Onder Haitink, Jochum, Bernstein, Kondrasjin en Harnoncourt gingen totaal nieuwe werelden voor me open.

,,Eind jaren zeventig begon ik me op aanraden van andere musici te interesseren voor Baghwan en voor meditatie. Met een invalklus voor Heinrich Schiff verdiende ik zoveel geld dat ik besloot zelf een kijkje te nemen in India. In het Concertgebouw, de Tempel van Behoud, werd dat gezien als een provocerende daad. Maar er waren toen zovéél musici die zich interesseerden voor spirituele verdieping. Ik vond die reis destijds zeer inspirerend, maar geen reden voor een enkele reis India. Misschien was het wél de oorzaak dat ik mijn goede positie bij het Concertgebouworkest durfde los te laten om in 1989 met mijn Zweedse vrouw in Götenburg te gaan wonen en daar les te geven.

,,Lesgeven is ontzettend leuk. Ik doe het nog steeds, zowel in Zweden als in Den Haag. Het past bij mijn natuur. Je kunt iets doen met al je ervaring, en merkt dat je daardoor ook zelf groeit, en steeds andere benaderingen vindt om met leerlingen om te gaan. De kunst is een balans te vinden tussen sturen en het geven van eigen verantwoordelijkheid.

,,Gaandeweg ging ik de orkestliteratuur tóch missen. Als je decennia in een orkest hebt gespeeld en je breekt daar tussenuit, is dat onvermijdelijk – hoe lief de kamermuziek en het lesgeven me ook zijn. Dus toen Jaap van Zweden bij het Residentie Orkest aantrad als chef-dirigent, bood dat perspectief. Van Zweden is een gedreven dirigent, die het orkest echt op scherp houdt. Al in de tien jaar dat we samenspeelden in het Concertgebouworkest viel me altijd op hoe snel hij is. Het tempo waarin hij zich nu als dirigent nieuw repertoire eigen maakt, is hoogst ongebruikelijk en bewonderenswaardig. In Den Haag heb ik nu een baan voor eenderde van de tijd, wat bij het Concertgebouworkest nooit mogelijk zou zijn. En zo pendel ik nu dus heen en weer tussen Nederland en mijn gezin in Zweden. Een luxe positie!''

`Een avond rond Ruijsenaars: 15/1 20.15 uur Nieuwe Kerk Den Haag.

Res.: (070)8800333