`Zet een boete op het dragen van hoofddoekjes'

,,Ik geloof heilig in secularisme'', zei de Turkse vriend die ik geregeld spreek. ,,We hebben een keuze gemaakt in wat voor samenleving we wonen, een seculiere samenleving. Dat betekent dat je dingen gescheiden houdt. Zo'n keuze kan minder leuke gevolgen hebben, maar die moet je dan accepteren.''

Ik had hem gebeld omdat ik een stukje wilde schrijven over de chador-affaire op het ROC in Amsterdam, maar bij mezelf een zekere schroom bespeurde om mijn uitgesproken negatieve mening over gesluierde leerlingen te uiten. De kritiek op chadors leek bovendien gemonopoliseerd te zijn door allochtone schrijvers en woordvoerders. Daartegenover stonden weer de hoofdzakelijk sussende geluiden van autochtone Nederlanders. Waar Hari Karacaer, toch directeur van een conservatieve Turkse moslimorganisatie, verklaarde dat vrouwen in chador hier in het verkeerde land leven, schreef bijvoorbeeld Rob Schouten in Trouw dat het hier misschien wel een `waardevoller verhulling' betrof dan `wij van de blootcultuur' ons kunnen voorstellen.

Of neem Jan Menger, docent welzijn op een ROC, die in Trouw stelde dat een sluier eigenlijk best handig is ('het spaart een koksmuts of haarnetje uit'), en dat de achterliggende redenen waarom vrouwen een gezichtssluier zouden moeten dragen er `niet zo toe doen'. Waarom springen autochtone Nederlanders paternalistisch op de bres voor hun fundamentalistische landgenoten terwijl de felste aanvallen op dat fundamentalisme uit allochtone hoek komen? Waarom heb ik er zelf moeite mee kritiek te leveren? Denken Nederlanders dat ze daar niet helemaal toe gerechtigd zijn, vanuit een diepgeworteld maar wellicht misplaatst cultuurrelativisme? Of is het allemaal onverschilligheid? Ik besloot het eens voor te leggen aan mijn Turkse vriend, die tenslotte onberispelijke multiculturele credentials heeft.

Het bleek hem hoog te zitten. ,,De discussie die op dit moment gevoerd wordt, is helemaal geen discussie'', brieste hij. ,,Het gaat alleen maar over pragmatische overwegingen: of je de gezichtsuitdrukkingen van kleuterleidsters moet kunnen zien, of scholen kledingcodes mogen opstellen, of gemeentelijke verordeningen met betrekking tot carnavalsvermommingen het probleem misschien kunnen oplossen, en zo nee, dan misschien de algemene identificatieplicht. Ik wil het daar niet eens over hébben.''

,,Het is een pragmatisme dat iedere principiële discussie uit de weg gaat. De Nederlandse houding is: zolang ik er geen last van heb, bemoei ik me er niet mee. Of het nu gaat om scholieren of advocaten met hoofddoekjes, ieder nieuw geval wordt weer apart bekeken, alsof het incidenten betreft. Opinieleiders, columnisten, politici herhalen elkaars mening, en een paar gesluierde vrouwen dienen tot wederhoor. De afloop is elke keer hetzelfde: de discussie waait wel weer over, en het wachten is op een nieuwe affaire.''

,,Nederland drijft op ongeschreven regels'', verklaarde mijn vriend vol vuur. ,,Juridisch gezien is er hier helemaal niet zoveel afgesproken. Ik vind dat laf, een gebrek aan identiteit. Veel Kamerleden zeggen tegen het dragen van een chador of burka te zijn. Maar ze zetten die mening niet om in daden. Dat laten ze over aan het hoofd van een ROC en de rechter. De politiek draait om de hete brei heen. We moeten duidelijker onze principes formuleren en formaliseren; duidelijk maken, vooral nu, in wat voor land we wonen. Dat betekent niet dat je mensen uitsluit, juist niet. Maar je moet je niet beroepen op etniciteit of religie, dan krijg je van die kunstmatige scheidslijnen. Een seculiere maatschappij laat iedereen in z'n waarde, en je weet waar je aan toe bent. Dat betekent: géén hoofddoekjes in het publieke domein. In particuliere bedrijven en op straat mag je doen wat je wil. Maar ik ben voor een verbod op alle vormen van religieuze symboliek in overheidsinstellingen en door de overheid gefinancierde instituten.''

Maar, sputterde ik tegen, die scholieren hebben in feite toch ook nog helemaal geen publieke functie? ,,Ze zitten op een openbare school!'', riep mijn vriend uit. ,,Dan gaan ze maar naar een islamitische school. Maar ze zijn natuurlijk ook niet gek, als ze dat zouden willen, hadden ze dat allang gedaan. Nederlanders zijn bang dat als je hoofddoeken gaat verbieden, de meisjes niet meer naar school gaan. Alsof er geen leerplicht bestaat hier! Geen Marokkaanse vader die zijn dochter thuis zal houden als daar sancties op staan, als dat betekent dat hij maandelijks een boete moet betalen.'' Maar die meiden van het ROC hoefden toch juist geen nikaab aan van hun familie, zei ik, ze hebben daar zelf voor gekozen. Is dit als statement van rebellie niet gewoon een variatie op een hanekam of piercing, in plaats van een symbool van onderdrukking?

,,Ik denk dat het wel wat meer is dan een tijdelijke modegril,'' antwoordde mijn vriend. ,,Dit zal niet zomaar overwaaien. Veel vrouwen dragen trouwens een hoofddoek uit gemakzucht, niet als teken van bewuste emancipatie, omdat hun vriendinnen het doen, of hun ouders het van ze verlangen. Maar je kunt niet emanciperen door iedereen te vriend te houden. Als emancipatie strijd vergt, dan moet dat maar, vind ik. En als ze dan toch een hoofddoekje willen dragen, dan horen ze niet in het publieke domein thuis. Overigens heb ik niets tegen hoofddoekjes op zich'', besloot hij. ,,Mijn moeder draagt er ook een.''Ietwat beduusd maar met een gevoel van voldoening legde ik de telefoon weer neer. Het was me nu wel iets duidelijker geworden wat er schortte aan de discussie op het moment. En mijn Turkse vriend had helder en beknopt een aantal ideeën geformuleerd die in mijn eigen hoofd nog niet zo uitgekristalliseerd waren. Ik ging achter de computer zitten: het voorwerk was gedaan. Nu hoefde ik voor mijn stukje alleen nog maar uit te zoeken hoe het toch komt dat autochtone Nederlanders deze discussie zoveel liever aan hun allochtone landgenoten overlaten.

    • Corine Vloet