VS hebben kernwapens verspreid

Het streven van Washington om de verbreiding van kernwapens te beletten is de afgelopen maanden op twee ernstige tegenslagen gestuit. Noord-Korea heeft toegegeven heimelijk te werken aan een programma tot verrijking van uranium en maakt zich op om een oude kernreactor weer in bedrijf te nemen. Daarmee schendt het de overeenkomst die het in 1994 heeft ondertekend om zijn kernwapenprogramma te bevriezen. En in december werd in Amerikaanse inlichtingenkringen melding gemaakt van verdachte activiteiten bij twee mogelijke kerninstallaties in Iran.

Wat in Washington niet wordt erkend, is dat dergelijke acties een logisch en misschien zelfs onvermijdelijk antwoord zijn op het buitenlandse beleid dat de Verenigde Staten sinds het einde van de Koude Oorlog hebben gevoerd.

Sta eens stil bij de omvang van het Amerikaanse militaire optreden sinds in november 1989 de Berlijnse Muur viel: de Verenigde Staten vielen Panama binnen en wierpen er de regering omver; ze verwoestten Irak in de Golfoorlog; ze verdreven de regering van Haïti door te dreigen het land binnen te vallen; ze bombardeerden de Bosnische Serviërs tot die een vredesakkoord aanvaardden; ze bombardeerden Joegoslavië tot het de heerschappij over zijn provincie Kosovo opgaf; ze vielen Afghanistan binnen en bezetten dat land; en nu dreigen ze Irak aan te vallen en daar de regering te verdrijven.

Bovendien heeft president Bush in zijn State of the Union van 2002 een uitdrukkelijk verband gelegd tussen Noord-Korea, Iran en Irak als `As van het Kwaad'. Het zou niet verbazend zijn als Pyongyang en Teheran tot de slotsom zijn gekomen dat zij wel eens het volgende doelwit van Washington zouden kunnen vormen, tenzij ze een eventuele initiatiefnemner doeltreffend weten af te schrikken. Maar geen van beide landen kan ooit de conventionele militaire slagkracht van een grote mogendheid evenaren.

Het betrouwbaarste afschrikkingsmiddel – en misschien wel het enige betrouwbare afschrikkingsmiddel – is het bezit van kernwapens. Met andere woorden: het Amerikaanse gedrag is ongewild misschien wel een krachtige prikkel tot de verspreiding van kernwapens geweest – wel het laatste waar Washington op uit was.

In Amerikaanse regeringskringen worden de angsten van landen als Noord-Korea en Iran als uitingen van paranoia afgedaan. Tot op zekere hoogte is dat ook zo. Toen Onze-Lieve-Heer de paranoia uitdeelde, is de Koreaanse en Iraanse politieke elite tweemaal in de rij gaan staan. Maar zoals Henry Kissinger heeft uitgelegd, hebben ook paranoïci echte vijanden. En het lijdt weinig twijfel of de Verenigde Staten zijn van beide landen een vijand.

Het is Pyongyang en Teheran waarschijnlijk opgevallen dat de Verenigde Staten landen mét kernwapens heel anders behandelen dan landen zonder. De Amerikaanse leiders betonen de kernwapenmacht Rusland de nodige eerbied, ook al is dat land inmiddels een tweederangs conventionele militaire mogendheid en een derderangs economische macht geworden. En Washington behandelt Pakistan en India met veel grotere eerbied sinds die landen zich in 1998 met veel tamtam bij de mondiale kernwapenclub hebben gevoegd. Zet dat optreden nu eens af tegen het gedrag van Washington jegens mogendheden zonder kernwapens, zoals Irak en Joegoslavië.

De les die Noord-Korea en Iran hebben geleerd, is dat het bezit van een kernarsenaal dé manier is om de Verenigde Staten tot voorzichtigheid en tot een zekere mate van respect te dwingen. Dat geldt vooral als een land een vijandige verhouding met de Verenigde Staten heeft.

De mensen die juichten bij initiatieven als de verdrijving van de Iraakse troepen uit Koeweit, en die nu smachten naar een oorlog met Irak, moeten zich afvragen of de verhoogde prikkel tot een verbreiding van kernwapens niet een te hoge prijs is geweest. Want die verdere verbreiding is de prijs die we vrijwel zeker zullen gaan betalen.

Ted Galen Carpenter is als defensie- en buitenlandspecialist verbonden aan het Cato Institute in Wahington.

©LAT-WP Newsservice

    • Ted Galen Carpenter