Vink

Zangvogels als delicatesse, gloeiend doorbakken, geconsumeerd met botjes en al, roept afschuw op. In de achttiende eeuw kregen scholieren vakantie om, met adel en notabelen, in de duinen op vinkenbanen de vogels te vangen. In drie weken tijds vonden meer dan honderdduizend vinken de dood in netten of aan lijmstokken. De vogelwet van 1936 maakte hieraan terecht een einde.

De vink, ook boek- of oostvink, is een levendige en zelfs deftige verschijning tussen bomen, in parken en tuinen. Zijn dansende vlucht met opvallend witte vleugelbanden en witte buitenstaart lijkt op een dwarrelende papiersnipper. Het mannetje heeft een wijnrode borst, leiblauw kopje. Zijn mantel is kastanjebruin, dat van het vrouwtje licht olijfgroen. Het zingen van de vink heet `slaan'. Vroeg in februari is het eerste lied al te horen. Hoe vaker het mannetje in zijn zang `slaat', des te kostbaarder was hij eertijds, gevangen voor een leven in de kooi. Met zijn korte snavel, een oestermes in miniatuur, breekt hij zaden open. De kracht van deze vogels, behorend tot de familie van de fringillidae, is zijn onverwoestbaarheid.

freriks@nrc.nl

    • Kester Freriks