Sociologie van de volte

Ik speel met de gedachte, een sociologie van de volte te schrijven, zei hij peinzend. Hij keek me even scherp aan en zweeg terwijl zijn mond zich plooide in dat bijzondere glimlachje der ingewijden. Je hebt het in alle vakken. Maar vooral onder psychotherapeuten vind je mensen die op die manier hun mond kunnen plooien. Een minzaam: ik zie ik zie wat jij niet ziet. ,,Nederland is nu bijna vol'' vervolgde hij. ,,En je weet dat mensen zich in de volte in beginsel niet anders gedragen dan varkens die met een te groot aantal soortgenoten in een te klein hok zitten.'' Opnieuw lachte hij dit veelbetekenende glimlachje. ,,En nu geloof ik dat ik een wetmatigheid op het spoor ben. Vier varkens in een hok dat geschikt is voor twee zijn minder gevaarlijk voor elkaar dan acht miljoen in een ruimte die bedoeld is voor vier miljoen. Met andere woorden: het subjectieve gevoel van volte ontwikkelt zich onafhankelijk van objectieve ruimte die men met de anderen moet delen. Begrijp je?''

De socioloog die dat zei was de Groningse professor dr. P.J. Bouman. Een halve eeuw geleden. Nederland had negen miljoen inwoners. Van gastarbeiders, parkeermeters, files, geluidswallen, houseparty's, wachtlijsten had niemand nog gehoord. Zakkenrollers woonden in Italië. Piet Bouman had intuïtief begrepen dat andere tijden ons te wachten stonden. Tot het schrijven van zijn sociologie van de volte is het nooit gekomen. Jammer. In 1977 is hij gestorven.

Intussen is zijn denkbeeld nog beter en actueler geworden. Of een verdubbeld aantal levende wezens meer dan tweemaal de ruimte nodig heeft om zich op zijn gemak te voelen, zoals hij veronderstelde – ik weet het niet. Misschien valt het met dierproeven te onderzoeken. Of het is al onderzocht. Maar je hoeft geen wetenschappelijk onderzoek te doen om in ieder geval te kunnen vermoeden dat de gemiddelde Nederlander van 1955 minder ruimte nodig had om zich `goed' te voelen dan die van vandaag. Wat is in dit geval `goed'? Ik opper: een zich zo weinig mogelijk gehinderd voelen, in alle opzichten, psychisch en ruimtelijk, `existentieel' om dat oude woord maar te gebruiken. Om zich `goed' te kunnen voelen heeft een mens een bepaald `bestaansvolume' nodig.

En u is het wel duidelijk dat de mens van 2003 aanspraak maakt op een groter bestaansvolume dan die van 1955. Dat wordt in de eerste plaats veroorzaakte door zijn apparatuur. Auto, scooter, natuurlijk. Radio. Tien commerciële en drie publieke in plaats van de twee publiekszenders van 1955. Dan heb je de verbeterde collectieve gemakken en voorzieningen, als vliegvelden, meubelboulevards, zesbaanswegen en parkeerterreinen. Entertainment, grotere stadions, pretparken, evenementen. Dit alles vreet ruimte. En het vervult de gemeenschappelijke lucht met duizenden geluiden; het bezwangert de gemeenschappelijke dampkring met honderden aroma's waaronder de gemeenste stanken.

De mens van deze tijd is de vrije, geïndividualiseerde. Eindelijk is het zo ver. Er hat sich alle Lust der Welt zu werden (Brecht). Hij heeft er niet alleen recht op, maar het lijkt ook binnen zijn bereik. En nu, terwijl het theoretisch genieten geblazen is, met meer mogelijkheden dan ooit, ervaart hij in de praktijk van iedere dag weer dat het bestaansvolume dat hij daarvoor nodig heeft onophoudelijk door de anderen wordt geschonden. Niet zomaar even. Onophoudelijk en drastisch. Iedereen moet iedere dag weer dulden dat een ongeteld aantal anderen een invasie in zijn bestaansvolume onderneemt.

Hij doet een beroep op de overheid. Die immers heeft beloofd dat alles keurig voor hem zal worden geregeld. Maar er is geen organisatie van openbaar nut waar het niet stagneert. Daarover hoeven we de urbane lezer niets te vertellen, en dat doen we dan ook niet. Het ergste komt nog.

Dit land, waarvan P.J. Bouman al begon te vermoeden dat het `vol' raakte, heeft binnen een halve eeuw zijn bevolking bijna zien verdubbelen. Als er geen `individualisering' was geweest, als niet iedereen zich zoveel mogelijk apparatuur had aangeschaft om daarmee zoveel mogelijk tekeer te gaan, dan nog waren – als Bouman gelijk zou hebben – de Nederlanders elkaar meer en meer gaan bijten. Dat, veronderstelde hij, ligt in de natuur van ieder zoogdier. Volgen we zijn theorie, dan zou het niet meer helpen als je nu de grenzen sluit. De zestien miljoen die er nu wonen, leven, terwijl ze elkaar hun uitgedijd bestaansvolume bevechten, al op de toppen van hun zenuwen.

Het begrip `vol' heeft in Nederland zijn eigen geschiedenis. Vier jaar voor Bouman op het idee van zijn sociologie van de volte kwam, verscheen de roman van W.F. Hermans Ik heb altijd gelijk. In het eerste hoofdstuk laat de held, Lodewijk Stegman, zich zo verbitterd uit over wat toen als de oorzaak van de volte werd aangezien, dat de schrijver voor de rechter werd gedaagd, `wegens belediging van het katholieke volksdeel'. Lees het nog eens na, als u dat boek in huis hebt.

`Vol', wil ik zeggen, kan heel lang relatief zijn. En dan, ten slotte kan het absoluut worden, namelijk als de varkens elkaar beginnen te bijten. Ga naar een voetbalwedstrijd, neem een snipperdag en reis met de trein het hele land door, en doe mij verslag van uw avonturen.