Praktijk: blik agenten helpt niet

Een (buiten-)parlementaire enquêtecommissie van praktijkmensen ondervroeg gisteren fractiespecialisten uit de Kamer over de veiligheidsparagraaf uit de verkiezingsprogramma's.

Of hij bereid was om de waarheid te spreken? Het Tweede Kamerlid P. van Heemst (PvdA) bracht de sfeer van de officiële parlementaire enquêtecommissies tot leven met zijn uitlating: ,,Voor zover ik het me kan herinneren wel.'' Fractiewoordvoerders van CDA, D66, PvdA, CDA, VVD en Groenlinks moesten zich gisteravond in de Amsterdamse Balie verantwoorden over de veiligheidsparagrafen in hun verkiezingsprogramma voor een enquêtecommissie onder voorzitterschap van P. Ingelse, voorzitter van het Gerechtshof in Amsterdam. De bijeenkomst was georganiseerd door NRC Handelsblad in samenwerking met De Balie.

Is de PvdA bereid om Europol inderdaad te laten uitgroeien tot een volwaardig opsporingsinstituut met bevoegdheden in de lidstaten, wilde commissielid professor C. Fijnaut, hoogleraar rechtsvergelijking, weten van Van Heemst. Terwijl daar in de jaren negentig nog zo'n taboe op rustte. ,,Dat is in ons verkiezingsprogramma nog niet gedetailleerd ingevuld'', gaf Van Heemst toe. ,,Maar daar moet je wel op aankoersen in een Europa waar de georganiseerde misdaad zich niets aantrekt van grenzen. (..) De noodzaak van `Europeanisering' van justitie en de politie is daarmee onvermijdelijk.''

Fractiewoordvoerder Eerdmans van de LPF gaf, ondervraagd door advocaat en commissielid B. Ficq, aan dat zijn partij de Albert Heijn-medewerkers uit de Amsterdamse Dapperbuurt die een winkeldief eigenmachtig hadden ingerekend, te snel als volkshelden had binnengehaald. ,,Er was daarbij geen sprake van noodweer, maar van excessief geweld.'' Maar wie een inbreker in zijn huis betrapt, heeft volgens Eerdmans nog steeds het recht om die met een honkbalknuppel te lijf te gaan.

GroenLinks-woordvoerder I. van Gent lag onder vuur van commissielid P. Tieleman, voormalig hoofdcommissaris van Zuid-Holland-Midden over de passage in het programma waarin bepleit wordt om ME'ers in actie te voorzien van rugnummers. ,,En dat voor een partij die privacy voor alle burgers voorop stelt.'' We vragen niet om namen, alleen om rugnummers, was Van Gents repliek. ,,ME'ers willen ook niet als groep gebrandmerkt worden. Dan moet de anonimiteit worden opgeheven.''

CDA-woordvoerder S. van Haersma Buma hield vast aan zijn pleidooi om te breken met het gedoogbeleid ten aanzien van softdrugs en coffeeshops. Geconfronteerd met een pleidooi van VVD-woordvoerder C. Cornielje, was hij ook niet bereid om in Europees verband te pleiten voor legalisering van softdrugs, zoals commissievoorzitter Ingelse tevergeefs polste. ,,De grens tussen soft- en harddrugs is de afgelopen jaren vervaagd'', hield Van Haersma Buma vol. ,,We willen dus af van het fenomeen coffeeshop.''

De identificatieplicht verdeelde de fractiewoordvoerders. Waar CDA en LPF een algemene identificatieplicht voorstaan, was D66 mordicus tegen en bepleitte Cornielje een beperkte variant. Hoe beperkt, wilde Ficq van Cornielje weten. ,,Dat slaat op de bevoegdheid om te controleren'', was het antwoord. ,,Dat mag alleen bij een concrete verdenking. Maar hij hoeft niet per se verdacht te zijn. Iemand die zich verdacht gedraagt in een rij wachtenden op een station, bijvoorbeeld. Waar iemand zich zodanig gedraagt dat hij misschien een tasje gaat meenemen.''

In haar verslag van bevindingen gaf de enquêtecommissie een oordeel over de uitlatingen omtrent die identificatieplicht. De commissie heeft de meerwaarde ervan niet kunnen ontdekken, vatte voorzitter Ingelse de bevindingen samen. ,,Behoudens voor personen die verdacht worden van een strafbaar feit. Het is niet duidelijk wat je met een verdergaande identificatieplicht wint.'' De politie heeft ook niet om verruiming van die bevoegdheden gevraagd, vulde commissielid Tieleman aan. ,,Omdat het voor de veiligheid niet werkt.'' Alle partijen besteden aandacht aan uitbreiding van politie, justitie en de rechtsprekende macht, was een andere bevinding. Maar voor de positie van verdachten en verdediging is geen enkele aandacht. De roep om instelling van minimumstraffen, waar vooral de LPF zich voorstander van betoonde, noemde de commissie ,,een uiting van wantrouwen voor de positie van de rechterlijke macht.'' Een slotbeschouwing wijdde de commissie aan de effectiviteit van alle voorstellen in de veiligheidsparagrafen. ,,Tot nu toe heeft het opentrekken van extra blikken agenten of andere instanties weinig effect gehad. (..) Er is eenzijdig aandacht geweest voor aantallen'', aldus Ingelse. ,,Er is nu een `jakkercultuur' ontstaan Maar er moet altijd aandacht blijven bestaan voor de individuele zaak.''