Politici willen geen minister van Cultuur

Zes politici debatteerden gisteren in de Stadsschouwburg in Amsterdam over de toekomst van de cultuurpolitiek. Ze waren het over veel eens, maar moesten door het publiek op de naderende verkiezingen worden gewezen.

Anderhalf uur na het begin van `het grote kunstdebat' in de Amsterdamse Stadsschouwburg kwam het eerste geluid uit de zaal. Bert Holvast van de Federatie van Kunstenaars- en Ontwerpersverenigingen hield het niet langer toen de aanwezige politici langzaam maar zeker wegzakten in een steeds technischer debat over welke subsidieverzoeken door welke instanties beoordeeld zouden worden – en volgens welke criteria. ,,Hier buiten de deur woedt een wedstrijd om de macht. Ik wil van u weten op wie ik moet stemmen. Wat heeft u te bieden?''

Het gaf de cultuurwoordvoerders van GroenLinks, PvdA, CDA, D66, VVD en SP de gelegenheid het publiek te verzekeren dat geen van hen op kunst wil bezuinigen. Naima Azough (GroenLinks), Jeltje van Nieuwenhoven (PvdA), Fenna Vergeer (SP) en – zij het in mindere mate – Boris Dittrich (D66) willen het budget zelfs verhogen, iets waar Frank de Grave (VVD) en Wim van de Camp (CDA) geen financiële ruimte voor zien. Die laatste brak wel een lans voor cultuur in de regio. Dat had hij twee dagen eerder bij een vergelijkbaar debat in Arnhem ook al gedaan, al leverde het hem toen aanmerkelijk meer enthousiaste reacties op. Veel van de argumenten die door de aanwezigen in de Stadsschouwburg werden uitgewisseld, waren toch ook al in Arnhem aan de orde gekomen, zoals de vraag of er een minister van Cultuur moet komen (nee, volgens de meeste partijen) en de problemen die de voorgenomen bezuinigingen op de `Melkertbanen' voor de cultuursector zullen betekenen.

De grote zaal van de Stadsschouwburg was gevuld met enkele honderden belangstellenden uit vooral het Amsterdamse deel van de kunstwereld; het debat werd gevolgd door de nieuwjaarsreceptie van de stichting Kunsten92. De discussie werd voorafgegaan door drie korte lezingen. Critica Anna Tilroe hield de politici voor dat zij zich sinds de opkomst van de LPF in een positie bevinden waarin de kunst zich al veel langer bevond, namelijk die van een groep die door de buitenwereld steeds als elite wordt gebrandmerkt. In een impliciete verwijzing naar het in de kunstwereld als zeer bemoeizuchtig ervaren beleid van de vorige staatssecretaris, Rick van der Ploeg (PvdA), riep zij de politici op de kunst de gelegenheid te geven ,,de aspecten van de werkelijkheid op haar eigen manier te onderzoeken, onafhankelijk, vrij, zelfs als ze wordt gesubsidieerd''. Marleen Stikker, directeur van de Waag Society, pleitte voor versoepeling van de subsidieregels van onder meer het Fonds Culturele Omroepprodukties.

De meeste weerklank vond Ellen Walraven, zakelijk leider van toneelgezelschap 't Barre Land, die signaleerde dat in het huidige systeem het aanvragen van subsidie steeds meer het invullen van een format wordt, terwijl het voor alle partijen nuttiger zou zijn als de kunstinstellingen `in eigen woorden' zouden aangeven wat zij van plan waren en duidelijk zouden maken en waar ze op aangesproken zouden worden. Die `deregulering' viel vooral in goede aarde bij VVD'er De Grave, terwijl Van Nieuwenhoven zich gecharmeerd toonde van Walravens gedachte het stramien van de vierjaarlijkse kunstenplannen los te laten. Overigens was het ook precies dat deel van de discussie dat uiteindelijk leidde tot het detaillistische gesprek van de politici onderling, dat uiteindelijk door de bulderende stem van Bert Holvoet terug naar de politieke actualiteit werd gejaagd.