KLEUTERS MAKEN AL ONDERSCHEID IN SOCIALE RELATIES

Vierjarigen hebben al een duidelijk besef van het feit dat zij verschillende soorten relaties onderhouden. Imaginaire vriendjes worden daarbij op een lijn gesteld met gewone, reële vriendjes, al worden imaginaire vriendjes iets vaker beschouwd als een `zorgobject' dan gewone vriendjes. De relatie met gepersonifieerde objecten (een pop met een eigen `handelende' persoonlijkheid, zoals de tijgerpop Hobbes in de strip Calvin & Hobbes) leek meer op een ouder-kindrelatie, met de pop in de afhankelijke positie. Dit blijkt uit vraaggesprekken met in totaal 60 Amerikaanse kinderen (Developmental Psychology, november 2002). De kinderen in dit onderzoek werden ondervraagd aan de hand van tekeningen die zij eerst hadden gemaakt van een ouder, hun beste vriend, broer of zus en eventueel imaginair vriendje of gepersonifieerd object.

Niet helemaal onverwacht wijzen de vierjarigen tijdens die gesprekken het vaakst hun ouders aan als bronnen van hulp en macht, terwijl de relatie met broers of zusters de meeste ruzie opleverde. Ook vrienden werden vaak als bronnen van macht en hulp beschouwd. Uit een eerder onderzoek van dezelfde onderzoeker, Tracy Gleason, bleek al dat kinderen met een imaginair vriendje niet eenzamer zijn, minder echte vriendjes hebben of anders functioneren in gezelschap dan andere kinderen (Developmental Psychology, juli 2000). Gleason ziet in het feit dat kleuters ook weinig onderscheid blijken te maken tussen een echt en imaginair vriendje een nieuwe bevestiging van het idee dat een imaginair vriendje binnen het normale patroon valt. Sterker nog: in de imaginaire vriendschappen worden de sociale vermogens extra sterk geoefend, omdat het kind voortdurend ook de rol van de ander moet `meespelen'.

Er waren al eerder aanwijzingen dat kinderen al vroeg verschillende sociale relaties kunnen onderscheiden. Kinderen van anderhalf gaan anders met leeftijdsgenoten om dan met kinderen van twee jaar en kleuters praten conflicten met vrienden veel vaker uit dan ruzies met broers of zussen. Kleuters vertellen aan hun moeder andere grappen dan hun oudere broers of zussen. Ook kunnen kleuters moeilijk redenen bedenken voor droefheid van hun moeder, maar hebben zij geen moeite om verklaringen te geven voor hun eigen droefheid of die van hun vriendjes.

    • Hendrik Spiering