HOGE BIODIVERSITEIT IN HET BOS VERLAAGT KANS OP ZIEKTE VAN LYME

In Amerikaanse bossen, waar de verscheidenheid aan zoogdiersoorten groot is, lopen mensen minder risico om via een tekenbeet besmet te raken met de ziekte van Lyme. De witvoetmuis Peromyscus leucopus vormt het belangrijkste reservoir voor Borrelia burgerdorferi, de bacterie die de ziekte van Lyme overbrengt. Maar wanneer er ook veel andere zoogdiersoorten in het bos leven, `verdunnen' die de infectiedruk. Daardoor loopt de mens in een biodivers bos uiteindelijk minder risico. Dat concluderen Amerikaanse ecologen na een grootschalig onderzoek waarbij zij verschillende (eiken-)bossen in de staat New York onderling vergeleken (Proceedings of the National Academy of Sciences, 6 jan).

De ziekte van Lyme wordt overgebracht door een parasitaire teek (Ixodes scapularis), die leeft van bloedmaaltijden bij uiteenlopende zoogdieren. De teek is weinig kieskeurig maar zijn gastheren verschillen in de mate waarin zij een goed reservoir vormen voor de ziekteverwekkende bacterie. De in Amerikaanse loofbossen meestal talrijke witvoetmuis is het beste reservoir voor B. burgerdorferi; via dit dier kan de infectie zich makkelijk verspreiden naar onbesmette teken die de infectie overdragen naar nieuwe gastheren. In andere bosdieren, zoals herten, spitsmuizen, eekhoorns, stinkdieren en wasberen overleeft de bacterie veel minder goed, waardoor zij de infectie slechter doorgeven aan onbesmette teken.

Uit de analyse van de Amerikaanse ecologen blijkt dat hoe meer van deze soorten er naast de witvoetmuis in het bos voorkomen, hoe minder besmette teken er in het bos voorkomen. De onderzoekers keken daarbij naar de besmettingsgraad van teken in het nymfestadium, het stadium dat in de meeste gevallen verantwoordelijk is voor de overdracht van de ziekte van Lyme op mensen. Al snel bleek dat zodra er behalve de witvoetmuis ook andere soorten in hetzelfde bos voorkwamen, de bemettingsgraad van de teken snel afnam. Hoe meer soorten, hoe minder Borrellia-bacteriën er werden gevonden.

Volgens de onderzoekers `verdunnen' de extra soorten de infectiedruk, doordat zij enerzijds de bacterie slechter overdragen en anderzijds de muizenaaantallen omlaag brengen door voedselconcurrentie en/of bejaging van de muizen. Boomeekhoorns hadden het hoogste `verdunningspotentieel'; zij brachten de besmettingsgraad van teken met 58 procent omlaag in vergelijking met de situatie waarbij de teken alleen op witvoetmuizen zouden parasiteren. De eekhoorns vormen een slecht reservoir voor de bacterie en komen in relatief grote dichtheden voor.

Het minste risico op besmetting met Lyme levert uiteraard een bos zonder de witvoetmuis, ongeacht de hoeveelheid andere zoogdieren, zo geven de onderzoekers toe, maar dat is gezien het veelvuldig voorkomen van dit dier een onrealistisch scenario. Volgens de Amerikaanse ecologen is de realiteit dat de mens grote invloed heeft op de samenstelling van de fauna in het bos en daarmee op het risico van de ziekte van Lyme. De versnippering van stukken bos leidt tot een explosie van muizen, terwijl de andere soorten verdwijnen.

    • Sander Voormolen