Gevangen in een oase

Zelfs uit het Bargerveen verdwijnt intussen de grauwe klauwier. Op de oppervlakkige wandelaar maakt het terrein een alleszins betrouwbare indruk, rust en ruimte in overvloed, maar voor de grauwe klauwier fungeert het als een badkuip zonder stop, een Drenthse versie van de Bermudadriehoek.

Het Bargerveen hangt zo'n beetje aan de Duitse grens onder Emmen: 2000 hectare natuurgebied, ondergebracht bij Staatsbosbeheer. Het streven is gericht op herstel van het hoogveen.

In 1994 werd hier de laatste turf afgevoerd.In juli van dat jaar heb ik er wat rondgelopen en als ik nu mijn aantekeningen raadpleeg, begint het weer te gonzen in mijn hoofd; het wemelde er van de insecten, het was alsof het hele landschap in trilling werd gebracht door glazen vleugeltjes.

In de jaren '80 waren de eerste dammetjes gelegd om het terrein te vernatten. Zwart veenwater met een hoge zuurgraad, ongeschikt voor vissen en amfibieën – van die kant werden aan de vermeerdering der insecten weinig beperkingen opgelegd.

Tegelijkertijd ontstond een rijkgeschakeerd landschapstype. Waterpartijen en heideveldjes, berkenbosjes en braamstruweel, allerlei overgangen tussen nat en droog, schrale en weelderige vegetaties – precies dat mozaïek waarin insecten zo goed gedijen. Libellen bijvoorbeeld, in alle soorten en maten en ongekende aantallen.

En grauwe klauwieren dus. Zij eten insecten.

Anders dan de naam doet vermoeden, is de grauwe klauwier een briljante verschijning, het mannetje bovendien voorzien van een toepasselijk boevenmaskertje. Zangvogels met een haaksnavel. Felle jagers, die hun aanwezigheid in het terrein accentueren door hun prooi her en der aan struiken of prikkeldraad te spietsen. Zinvol geweld. Het stelt een vogel in staat om te gaan jagen als de tijd gunstig is om te jagen en te gaan eten als de tijd gunstig is om te eten.

Of het nu aan die snavelvorm of iets anders ligt, feit is dat de grauwe klauwier maar één prooi tegelijk kan vervoeren. Als er jongen te verzorgen zijn, legt hem dat een enorme werkdruk op. Honderden, honderden vluchten per dag.

Hans Esselink: ,,Voor grauwe klauwieren moeten er permanent insecten beschikbaar zijn, en liefst een beetje grote – op elk moment van de dag, op elk moment in het seizoen, onder alle weersomstandigheden. En als er in een bepaald jaar weinig meikevers zijn, moeten ze op iets anders kunnen overschakelen. In een compleet landschap is dat geen probleem, in een compleet landschap vinden ze een heel web van prooisoorten. Maar als het landschap is aangetast, vallen er schakels uit, en als er veel schakels uitvallen, hebben deze vogels geen leven meer.''

In heel ons land leidden grauwe klauwieren, voorzover nog aanwezig, een kwijnend bestaan. Alleen in het Bargerveen: van 12 broedparen in 1987 tot 120 in 1994.

Esselink was toen pas met zijn onderzoek begonnen. Hij had de hoop dat het Bargerveen de grauwe klauwier voor Nederland zou redden, dat de vogel zich van hieruit opnieuw zou kunnen verspreiden.

Zo heeft het niet mogen zijn. Tot 145 broedparen in 1997, daarna: nog 80 in 2001, nog 60 in 2002.

Legselgrootte, broedsucces, terugkeer van oude vogels, terugkeer van jonge vogels – vergeleken met onderzoeksresultaten uit Baden-Württemberg, het hart van grauweklauwierenland, waren alle cijfers dik in orde. Of toch niet?

Bij de terugkeer van jonge vogels scoorde het Bargerveen 18-32 procent, tegen 6 procent in Duitsland. Dat nu bleek geen goed, maar een veeg teken.

Grauwe klauwieren overwinteren in Zuid-Afrika. Ze vliegen duizenden kilometers heen en duizenden kilometers terug en dan gaan ook de jonge vogels op zoek naar een plek om te broeden, niet te dicht bij de plek waar ze zelf geboren zijn, maar ook niet te ver ervandaan, hooguit 30 kilometer. Voor Duitse jonge grauwe klauwieren waren die plekken kennelijk beschikbaar, maar de Bargerveense zochten en zochten en vonden... alleen het Bargerveen.

Esselink: ,,Binnen een straal van 30 kilometer hadden een paar stepping-stones moeten liggen, dán hadden ze zich kunnen verspreiden, dan waren ze misschien het land ingetrokken.''

Die stepping-stones waren er niet. Buiten het Bargerveen is ons land voor grauwe klauwieren een woestijn. ,,En dat ligt aan de insectenstand'', zegt Esselink. ,,We hebben de bewijzen!'' Staaf- en cirkeldiagrammen en zijn gepassioneerde uitleg daarbij. ,,O, we hebben nog veel méér spannende plaatjes!''

Voorheen was de grauwe klauwier algemeen in duingebieden. Die heeft bij inmiddels ontruimd. In 1998 deed het laatste paartje een broedpoging op Ameland. Het verloop daarvan is heel precies gevolgd.

Hier zie je welke prooisoorten op het nest werden aangevoerd. Vergelijk je dat nou met gegevens over een broedgeval in een vergelijkbaar biotoop bij Skagen, Noord-Denemarken, dan zie je dat bij Ameland '98 de bladsprietkevers vrijwel ontbreken. Vroeger waren dat plaaginsecten, die werden bestréden.

Esselink: ,,Hun larven leven van de wortels van grasachtige gewassen. Daarbij zijn ze sterk afhankelijk van temperatuur en vochtigheid. Daar bij Skagen is de oorspronkelijke buntgrasgemeenschap nog intact, bij ons wordt de bodem verstikt door een dikke viltlaag – het gevolg van vermesting.''

Wel bladsprietkevers bij Skagen dus, en ook in het Bargerveen en ook in braakballen van grauwe klauwieren die in de jaren '80 op Ameland werden verzameld (toen daar nog enkele tientallen paartjes broedden), maar niet meer bij Ameland '98. Dat is zo'n schakel die is uitgevallen.

Daar komt nog bij: hier zie je het gemiddelde gewicht van prooien die bij Skagen en op Ameland werden aangevoerd. Die Deense bijna dubbel zo zwaar.

Dat wil zeggen dat de grauwe klauwieren op Ameland bijna dubbel zo hard moesten werken. Zoals je dat ook al min of meer kon afleiden uit een vergelijking van aardhommels van Ameland en Bargerveen: die van het Bargerveen zijn veel groter. Een verarmd milieu brengt verarmde insecten voort.

Bekijk je nu het laatste diagram, het totale gewicht van aangevoerde prooien per dag, Ameland vergeleken met Skagen, dan zie je de jongen van Ameland '98 gewoon verhongeren.

Goed, Nederland een insectenwoestijn. Dat verklaart waarom de grauwe klauwieren van het Bargerveen geen kans hebben gezien om uit te breken. Dat verklaart niet waarom ze nu ook daar achteruitgaan.

Esselink: ,,Ik heb de indruk dat de kwaliteit van het gebied er niet beter op wordt. Ook het natuurbeheer wordt tegenwoordig grootschalig aangepakt. Grote oppervlakten worden onder water gezet, grote oppervlakten door schapen begraasd, grote oppervlakten in één keer ontberkt. Minder dicht struweel – er worden door kraaiachtigen meer grauwe klauwieren uit het nest gehaald dan in het begin. Door adders trouwens ook, maar adders, dat mág natuurlijk.''

En minder insecten?

,,Dat zouden ze moeten onderzoeken. Maar daar krijg ik geen geld voor.''

Oorzaken in het terrein, oorzaken in de grauwe klauwieren zelf, hun capaciteiten en beperkingen. Alles bijeen genomen blijft er dan nóg een raadsel over. Het lijkt wel of er ergens een lek zit, of er vogels wegsijpelen in de bodem.

Esselink: ,,Ik verklaar dat zo: in een gezonde situatie is er altijd uitwisseling tussen verschillende populaties. Jij verliest een paar beesten aan de buren, de buren verliezen een paar beesten aan jou. Deze balans is verstoord geraakt.''

Het Bargerveen als een oase in de woestijn. De oase levert nog wel aan de woestijn (beesten die daar verloren gaan), de woestijn levert niet meer aan de oase.

Esselink: ,,Ik zie hem daar nog wel uitsterven.'' In het Bargerveen, bedoelt hij. De grauwe klauwier, bedoelt hij.

Deze gebeurtenissen, of in ieder geval de finesses ervan, zouden ons zijn ontgaan als hij geen kans had gezien om de Stichting Bargerveen op poten te zetten – waarover de volgende keer meer.

    • Koos van Zomeren