Falen moet onderdeel zijn van militaire planning

Amerika moet bij de voorbereiding van een aanval op Irak niet mikken op een zo groot mogelijke kans op succes, maar op een zo klein mogelijke kans op falen, meent W.H.Th. Heijster.

Het gaat er steeds meer op lijken dat de Verenigde Staten Irak militair gaat aanpakken. Een weg terug is bijna ondenkbaar, ook al vinden de VN-inspecteurs geen enkel massavernietigingswapen in Irak, zoals Saddam heeft aangekondigd. Amerika heeft genoeg andere redenen om het regiem van Saddam omver te werpen en ze denken dat met gemak te kunnen. Volgens Menno Steketee zouden de Amerikaanse planners het operatieplan van de kazerne in de VS tot een schuttersputje in de woestijn en het laatste aan te voeren blikje cola al geoefend hebben (NRC Handelsblad, 8 oktober).

Maar inmiddels zijn er berichten verschenen dat ze onderweg al het een en ander kwijt zijn geraakt. Waarschijnlijk zal het operatieplan mikken op zo min mogelijk Irakese burger en Amerikaanse militaire slachtoffers, zoals ook in de Kosovo luchtoorlog gedeeltelijk tevergeefs is nagestreefd, want er werden driemaal zoveel Servische burgers gedood dan militairen. Afgezien van allerlei andere nare bijkomstigheden en gevolgen die zo'n aanval op Irak kan hebben, heeft de geschiedenis ons geleerd dat als de Amerikanen zelfstandig een militaire actie plannen, het nogal eens misgaat.

De Golfoorlog was daarom zo'n succes, omdat de Amerikanen hun plannen moesten delen met vooral Franse en Engelse generaals. Dat betekende dat er minder sprake was van eenzijdig militair groepsdenken zoals in 1980. Toen waren meer dan honderd Amerikanen gegijzeld in hun ambassade in Teheran. Vanaf het moment dat bekend was dat de Amerikaanse krijgsmacht een poging zou doen om die gijzelaars te bevrijden, werd door alle krijgsmachtdelen een hoofdrol opgeëist. Dat leidde er onder meer toe dat niet de beste Amerikaanse piloten (van de luchtmacht) maar van de mariniers, de luchtmachthelikopters gingen vliegen. En omdat die niet waren opgeleid om in de lucht bij te tanken, moest een tussenstop worden gemaakt in de Iraanse woestijn, waar een niet geplande zandstorm... enz.enz. De hele operatie eindigde in een blamage voor de Amerikanen, net zoals de ontsnapping uit Mogadishu jaren later.

Latere Amerikaanse operaties wekken de indruk dat de Amerikanen wel van hun mislukkingen hebben geleerd, met name om hun voorraad lijkzakken zo min mogelijk te hoeven aanspreken. Waar de Amerikanen voorheen nogal de neiging hadden de kans op succes zo groot mogelijk te maken, zijn ze er dankzij de wiskundige Kent Stephans, die psychologie ging studeren, toe overgegaan hun kansen op falen zo klein mogelijk te maken – iets wat vooral in een oorlog voor een betere afloop zorgt. Dat leidde er in de Kosovo-actie toe dat door op zeer grote hoogte te vliegen slechts één Amerikaans vliegtuig werd neergehaald. Dat de collateral dammage daarmee disproportioneel toenam, was van minder belang voor de Amerikanen. Om de kans op niet falen nog groter te maken werd overdreven veel verwacht van het luchtwapen en was inzet van grondtroepen niet voorzien.

Een typisch gevolg van de Amerikaanse cultuur om niet te willen weten hoe het mis kan gaan. En dat het in Irak ook mis kan gaan bleek onlangs bij de grootste oorlogssimulatie aller tijden als voorbereiding op die oorlog. Een ervaren Amerikaanse generaal (Van Piper) die de rol van Saddam speelde, won vanwege zijn onorthodoxe manier van verdedigen en het gebrek aan voldoende flexibiliteit, beweeglijkheid en fantasie bij zijn `vijand', collega-generaals van de oude stempel die veel te optimistisch waren over het succes van hun aanvalsplannen en te weinig hadden willen nadenken over what if? – overtuigd als ze waren van het aanstaande succes.

Maar juist optimisme leidt vaak tot een overschatting van eigen kansen. Eenvoudige proefjes met proefpersonen laten zien dat relatief depressievere personen kansen realistischer inschatten. De meeste mensen schatten namelijk hun kans op een hartinfarct lager in dan die van de buurman en de kans op een prijs in de loterij voor zichzelf hoger dan voor de andere buurman. Relatief depressievere mensen hebben daar minder last van. Vanuit die benadering keek Stephans jaren geleden naar het Amerikaanse atoomrakettenprogramma en kwam tot de ontdekking dat de wereld al een paar keer op miraculeuze wijze aan een atoomoorlog was ontsnapt doordat het veiligheidssysteem faalde en raketten spontaan richting Rusland zouden zijn gegaan, als andere technieken niet hadden gefaald die dan juist hadden moeten functioneren.

Op basis daarvan bedacht hij een computerprogramma dat de kans op falen zo klein mogelijk moest maken, door zoveel mogelijk mensen de kans te geven hun kennis in te brengen. Nog tijdens de Koude Oorlog werd dit risicoanalyseprogramma in de Amerikaanse krijgsmacht ingevoerd, maar of er gebruik van wordt gemaakt voor het plannen van een oorlog is onbekend. Bij de operaties in de Golfoorlog en in Kosovo had het er alle schijn van van wel, gelet op het succes en het geringe aantal slachtoffers aan Amerikaanse en geallieerde zijde.

Militaire plannenmakers proberen meestal de gevolgen van allerlei onvoorziene zaken te beperken. Maar daardoor ontstaat juist vaak een plan dat hen boven het hoofd groeit. Een plan dat geen marges biedt voor fouten die ze er juist uit hadden willen masseren. Militaire planners worden vaak gerekruteerd uit de meest getalenteerde officieren, die als magiërs in de kristallen bol gaan kijken wat de beste manier van bestrijden van de vijand is. Het probleem daarbij is, dat ze gaan lijden aan groepsdenken.

Als meerdere mensen aan één taak gaan werken, ontstaat het gevaar dat ze dingen hetzelfde gaan zien. Iemand neemt iets aan en de anderen stemmen er volledig mee in. Een afwijkende mening wordt niet op prijs gesteld en men wil niet buiten de groep vallen. Iedereen is het met de aannames eens en er wordt niet kritisch naar gekeken. Bij de eerder als briljant aangemerkte Montgommery leidde dat tot een brug te ver, met alle gevolgen van dien.

In een militair plan dient rekening gehouden te worden met een variëteit aan onbekende omstandigheden, die niet van tevoren te plannen zijn. Je moet als het ware een recept maken voor een maaltijd, zonder te weten welke ingrediënten beschikbaar zijn of hoeveel mensen er komen eten. Het veiligste is uit te gaan van meerdere worst case scenario's, niet alleen de bekende wijze van optreden van de vijand. Het is verleidelijk om de vijand als een passief object te zien, als slachtoffer van je eigen sluwe plan. Maar de vijand is misschien wel net zo slim, of nog slimmer en heeft misschien een beter plan.

In de eerder genoemde simulatie wachtte `Saddam' Van Piper niet op de aanval, maar begon hem zelf en dáár was door het Pentagon geen rekening mee gehouden. Voor een andere oefening voor stadsgevechten in Bagdad was ook een goed plan gemaakt volgens de commandant, alleen waren ze de inzet van sluipschutters bij de vijand vergeten. De militaire geschiedenis laat nog meer voorbeelden zien van de rol van het onverwachte, maar het lijkt erop dat militaire planners zich de mogelijke beren op de weg toch nog vaak onvoldoende bewust zijn. Niet onlogisch, want het zou het geloof in de eigen mooie plannetjes kunnen verstoren. Militaire plannen zijn vooral gebaseerd op geloof, hoop en verwachting dat ze uitkomen en dat de vijand meewerkt en niet iets anders heeft bedacht.

Zeshonderd zeer getalenteerde Duitse generale stafofficieren werkten bijna twintig jaar aan plannen die in 1914 in duigen vielen, omdat ze de gevolgen van een invasie via het neutrale België niet hadden voorzien en omdat ze het aantal blaren van hun ongetrainde dienstplichtig soldaten hadden onderschat: het Duitse leger liep vast in België. De Engelsen bleven zich daar een half jaar dood lopen op de Duitse mitrailleurs, een te verwaarlozen wapen volgens de Engelse generale staf.

Militaire plannenmakers zijn vaak als schakers die van de tegenstander een bepaalde zet verwachten, maar als die tegenstander een andere zet doet, of geheel geen zet, dan hebben ze geen militair alternatief, omdat ze daarop niet geanticipeerd hebben. Psychologen maken geen deel uit van militaire planningsstaven en risicoanalyses maken niet structureel en systematisch deel uit van gevechtsplannen, noch van het militair denkkader. Dat is ook de reden waarom ook in vredestijd in de Nederlandse krijgsmacht zoveel mis gaat. Het toetsingskader voor uitzendingen kwam pas na Srebrenica en kan beschouwd worden als een eerste aanzet tot risicoanalytisch plannen.

Een goed militair plan voor een oorlog kan eigenlijk alleen worden gemaakt door officieren die de chaos van de oorlog uit ervaring kennen. De zaken lopen altijd anders dan gepland, of gewenst door politici of burgerstrategen in het Pentagon. Dat wil niet zeggen dat hun plannen zinloos zijn. Maar het is een denkfout te menen dat als een operatie goed gepland wordt, hij ook zo zal verlopen. Die neiging is heel menselijk, maar fout. Wat dus naast flexibele plannen en antwoorden op `wat-als-vragen' nodig is, zijn uitvoerende officieren te velde die creatief en flexibel genoeg zijn en met voldoende improvisatievermogen om de oorspronkelijke plannen aan te passen aan de omstandigheden in het veld, op zee of in de lucht. Volgens de laatste oefeningen blinken de Amerikaanse officieren daar nog niet in uit.

Gelet op alle bij de Amerikanen aanwezige kennis betreffende Saddam en Bagdad, is het logisch dat het Pentagon het pre-emptive aanvalsplan voor Irak opstelt, maar het zou goed zijn als die plannen zouden worden voorgelegd aan andere (NAVO-)specialisten op het hoogste niveau, liefst met oorlogservaring. Zij kunnen dienen als advocaat van de duivel, met vragen als `wat als?' Zij zouden kritisch kunnen kijken naar de aanvalsplannen waarin, volgensdefensiedeskundige Rob de Wijk, naast commando- en verbindingscentra ook radio- en televisiestations zullen worden gebombardeerd. Maar die zijn nu juist hard nodig na de val van Saddam voor het herstel van rust en orde onder 23 miljoen Irakezen.

Plannenmakers staren zich meestal blind op hun eigen plan, ze zien niets anders meer. Ze hebben de neiging bijziend te zijn en de gevolgen van hun acties niet te overzien – zo dat al mogelijk is – maar doen daar meestal ook geen pogingen toe. Deskundigen van buiten kunnen ze helpen hun blinde vlekken in te vullen. Waarschijnlijk gaan de Amerikanen daar alleen mee akkoord als andere NAVO-landen mee doen aan de operatie tegen Saddam. En met name om reden van een zo klein mogelijk kans op falen, zou het goed zijn als naast Engeland, Frankrijk en Duitsland mee zouden doen aan die operatie.

Als die er al moet komen, want de grootste bedreiging voor Amerika uit de geschiedenis, de Sovjet-Unie, werd niet aangevallen, maar in de tang gehouden met nog meer dreiging en viel uiteindelijk vreedzaam uit elkaar. Alleen is Irak geen unie en is de oorlog feitelijk al jaren aan de gang, maar nog niet beëindigd. En het lijkt erop dat de Amerikanen denken dat dat een fluitje van een dollarcent zal zijn. Maar volgens Henri Kissinger zou de planning moeten zijn gebaseerd op de aantoonbare beschikbaarheid van een reusachtig militair apparaat dat in staat is op alle eventualiteiten te reageren. Zelfs hij vergeet hier bij te zeggen `en te anticiperen'. Dat niet doen, zou wel eens de Achilleshiel van de Amerikanen in Irak kunnen zijn.

Want volgens de onlangs met de Nobelprijs bekroonde Amerikaanse psycholoog Kahneman nemen mensen risico's omdat ze illusies hebben over hun kansen, omdat ze hun eigen kwaliteiten overschatten, omdat ze vrijwel alles doen om verliezen te voorkomen en omdat ze verzuimen hun beslissingen in een bredere context te plaatsen. En alsof dat nog niet genoeg is, leren ze niet van hun fouten. Ook voor de Amerikanen geldt dat in het verleden behaalde resultaten geen garantie zijn voor de toekomst. Een toekomst die ook van ons is.

Drs. W.H.Th. Heijster is militair psycholoog en docent aan de KMA in Breda.