DUITS KAN BEST LEUK ZIJN

De belangstelling voor Duits op school en op de lerarenopleiding loopt al jaren sterk terug. Kees van Eunen probeert het tij te keren.

`Het geurt hier Duits'', zegt Kees van Eunen. Plaats van handeling is de bibliotheek van het Goethe Instituut aan de Herengracht in Amsterdam. Kees van Eunen, lerarenopleider aan de Hogeschool Arnhem en Nijmegen, is hier kind aan huis. Voor zijn verdiensten voor het vak Duits mocht hij eind vorig jaar de allereerste `Botschafterpreis' in ontvangst nemen op de Duitse ambassade in Den Haag. De Botschafterpreis is bestemd voor `bruggenbouwers' tussen Nederland en Duitsland, en dat is precies waar Van Eunen al heel zijn leven mee bezig is.

De Botschafterpreis (`Ambassadeursprijs') bestaat uit een beeldje en een reis naar Duitsland. Het beeldje symboliseert volgens Van Eunen exact waar het om gaat. ``Het is een afgietsel van de tussenruimte tussen de twee handen als mensen elkaar de hand schudden. In dit geval zijn dat de handen van de kunstenares, Sarah Barkmeijer, en de Duitse ambassadeur Edmund Duckwitz.''

Het vak Duits kampt al vele jaren met een teruglopende belangstelling. Vooral begin jaren tachtig ging die terugloop snel, vertelt Van Eunen. Minder leerlingen en logisch gevolg ook steeds minder belangstellenden die leraar Duits willen worden. ``Tien jaar geleden hadden we nog 500 eerstejaars op alle Hogescholen, dit jaar komen we niet verder dan vijftig. Op de universiteiten is het aantal studenten dat kiest voor het vak van leraar zeer beperkt. Jaarlijks komen er zo'n 75 nieuwe leraren op de markt, naast nog wat zij-instromers. Als je bedenkt dat er van de huidige 4.000 leraren Duits de komende drie jaar zo'n 1.200 het onderwijs zullen verlaten wegens pensioen of anderszins, dan besef je wat voor problemen ons nog staan te wachten.''

Het is het imago van `stoffig' dat Duits parten speelt, denkt Van Eunen. ``Duits heeft altijd de naam gehad `moeilijk' te zijn. Het lesmateriaal was altijd sterk gericht op de grammatica, rijtjes leren, naamvallen. Daardoor kreeg het een stoffig karakter. En ik wilde dat wel afstoffen.''

Toen Kees van Eunen begin jaren zestig Duits ging studeren hing er rond het vak nog een smeurtje. ``Toentertijd zeiden familieleden wel tegen mij `waarom nou uitgerekend dat Duits, waarom geen Engels?' Het hoorde niet, en daar liep ik vrij regelmatig tegenaan. Ik denk dat ik over een zekere dwarskoppigheid beschik, om het dan juíst te gaan doen.'' Al tijdens zijn studie kwam Van Eunen `per ongeluk' als leraar terecht op een hbs ``voor het geld''. En daar bleef hij hangen. ``Lesgeven is iets heel bijzonders. Wat je zegt heeft invloed. Voor de klas staan kun je vergelijken met op toneel staan. Het is een soortgelijk effect.''

In de hoop het tij van de verminderde belangstelling te kunnen keren, richtte Van Eunen met een aantal collega's begin jaren tachtig de werkgroep `Deutsch macht Spass' op. ``We besloten te gaan `vechten' op twee lijnen: de onderwijskundige lijn en de politieke lijn. Op onderwijskundig gebied hebben wij ons vooral bezig gehouden met het maken van leuk lesmateriaal. In het begin maakten we hier op het instituut twee keer per jaar, samen met studenten, een verrassingspakket voor leraren Duits. Zo wilden we weg komen van `bij Duits moet je eerst een serieus gezicht trekken en dan pas wordt het wat'. Dat werd rechtstreeks gesubsidieerd door het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken, en later door het Goethe Instituut, een wereldwijde service-instelling voor onderwijs in de Duitse taal.''

De werkgroep heeft heel wat aardige dingen bij elkaar verzonnen. ``We hebben bijvoorbeeld kaartjes gemaakt met allerlei vormen van `klassentaal', uitspraken in de sfeer van de `Loesje-kaarten'. Die kaartjes kunnen in een transparant douchegordijn met vakjes gestoken kunnen worden, wat je in de klas kunt ophangen. Zelf heb ik geen vast lokaal, dus ik sjouw altijd een kar vol met spullen mee naar mijn lessen.''

Uiteindelijk is uit de verrassingspakketten het `dblatt' voortgekomen, een tijdschrift dat twee keer per jaar naar alle docenten Duits verzonden wordt. Ook is er een website opgericht (www.deutschmachtspass.de), waar docenten lesinformatie kunnen vinden en artikelen kunnen bestellen. Van Eunen doet ook veel aan nascholing van docenten, omdat hij, zoals hij zelf zegt, ``een aardige neus heeft ontwikkeld voor wat een leuke les is, en hoe je dat kunt verkopen aan anderen''. En dan zijn het niet zozeer de jonge als wel de `wildere' docenten die hij tot zijn aandachtig gehoor kan rekenen. ``Docenten die altijd bereid zijn dingen uit te proberen, en dat is wat je nodig hebt om je ideeën te kunnen verspreiden.''

Ook voor Duitse uitgevers heeft Van Eunen lesmateriaal gemaakt, bestemd voor het onderwijs in de Duitse taal in landen binnen en buiten Europa, waar geen leermethode van eigen bodem bestaat. ``Dat heb ik tot in de Verenigde Staten gepromoot. Ik baarde opzien, omdat ik grappen en grollen in mijn lessen verwerkte. Of gewoon aardige dingen als het zelf afmaken van een verhaaltje. Dat was toen totaal nieuw. Nu is dat gelukkig vrij algemeen geworden.''

Behalve in het `leuk' maken van het vak Duits, steekt de werkgroep ook energie in het werven van leerlingen voor de taal. Het belangrijkste middel daarbij is het blad `Extra Editie'. Er staan prijsvragen in, maar ook interviews met beroemde sporters, die vertellen hoe belangrijk het is dat ze Duits spreken, en het verhaal van een vrachtwagenchauffeur die vertelt dat hij het jammer vindt dat hij op school Duits heeft laten vallen, omdat hij het nu elke dag nodig heeft.

Naast het introduceren van onderwijskundige vernieuwingen was en is `Deutsch macht Spass' ook actief in de politieke lobby. ``Contact onderhouden met mensen in de politiek en in het onderwijs om te wijzen op het zakelijk belang van de taal'', zegt Van Eunen. Maar kennelijk hebben Van Eunen en zijn collega's niet hard genoeg gelobbyd, want de toekomst van het vak ziet er alles behalve florissant uit. Naar verwachting gaan de vakken Duits en Frans vanaf 2005 uit het kerncurriculum van het voortgezet onderwijs. ``Voor het havo en vwo zal dat waarschijnlijk niet zulke ingrijpende gevolgen hebben, maar wij verwachten dat Duits geheel zal verdwijnen uit het vmbo. In het mbo is de situatie al uiterst droevig. Het vak staat er al zo onder druk dat leraren vaak niet worden vervangen als ze uitvallen. Het wordt een vicieuze cirkel. Ik weet van stagebegeleiders op de ROC's (Regionale Opleidingen Centra voor middelbaar beroepsonderwijs) dat ze leerlingen al geen stage meer laten lopen in een Duitstalige omgeving, omdat ze het daar niet redden met hun gebrekkige talenkennis. Maar Duitsland is wel onze belangrijkste handelspartner.''

    • Jacqueline Kuijpers