De flipperkast-democratie

Met het groeiend aantal zwevende kiezers valt voor partijen bij verkiezingen steeds meer te winnen dan wel te verliezen. Aan de deelnemende partijen de taak kiezers voor hun ideeën te winnen. Maar wat wil de kiezer eigenlijk?

D66-leider Thom de Graaf bedient zich sinds enige tijd van een retorische tegenvraag als hem weer eens voor de voeten wordt geworpen waarom zijn partij – waar de redelijkheid toch van afspettert – het in de peilingen zo slecht blijft doen. ,,Kunt u verklaren waarom Jan Marijnissen van de SP, die sinds de afgelopen verkiezingen niets is veranderd, opeens zo populair is?''

Het is een verzuchting die al veel langer wordt gehoord. Op de hedendaagse kiezer valt geen peil te trekken. Terwijl de politici van steeds gewiekstere instrumenten en technieken gebruikmaken om de kiezer tegemoet te treden, vertoont de kiezer zelf gedrag dat meer en meer onvoorspelbaar wordt. Er valt eenvoudigweg niet tegenop campagne te voeren. Met de politieke voorkeuren van de burgers is het net als met de mode: de wisselingen verlopen steeds sneller.

Bij verkiezingen voor de Tweede Kamer gaat het om in totaal 150 te verdelen zetels. Tot eind jaren zestig verschoot daarvan maar een beperkt aantal zetels echt van kleur. De grote partijen hadden hun vaste contingent kiezers. Er ging eens een zeteltje af, er kwam eens een zeteltje bij. Kom daar nu nog eens om. Partijen schieten omhoog of donderen naar beneden. De Tweede Kamer krijgt trekken van een flipperkast, waarbij de electorale voorkeur als het zilveren balletje doorheen schiet. Tijdenlang kan de kogel in een rustig tempo heen en weer van links naar rechts rollen en dan plotseling met een hels kabaal blijven hangen bij een talloze bonuspunten scorende `popbumper'.

Niet eerder sloegen de kiezers zo massaal op hol als 15 mei van het afgelopen jaar. Vanuit het niets kwam de Lijst Pim Fortuyn met 26 zetels de Tweede Kamer binnen. Het CDA, nog maar acht maanden daarvoor door menig politiek analist afgeschreven, kreeg er 14 zetels bij en vestigde zich daarmee als veruit de grootste partij van het land. De rekening kwam terecht bij de Partij van de Arbeid: de nazaten van Wim Kok werden met een verlies van 22 zetels nagenoeg gehalveerd. De VVD, aan het begin van de verkiezingscampagne getipt als partij die voor het eerst in haar geschiedenis de grootste van het land zou kunnen worden, kreeg een iets bescheidener verlies van 14 zetels te verwerken.

Zeker, het waren verkiezingen onder extreme omstandigheden, veroorzaakt door de moord op Pim Fortuyn, negen dagen voordat het land naar de stembus kon. Maar ook zonder die moord zouden de politieke verhoudingen drastisch, misschien zelfs nog drastischer zijn gewijzigd. ,,Ik word minister-president'', zei Fortuyn drie maanden voor de verkiezingen en de politieke concurrentie wees naar het voorhoofd. Twee maanden later zat Fortuyn niet ver meer van Het Torentje af.

Als de verkiezingen iets hebben duidelijk gemaakt is het wel dat zekerheden niet meer bestaan wanneer het gaat om politieke krachtsverhoudingen. Het klassieke partijenstelsel waarvan de fundamenten aan het begin van de vorige eeuw werden gelegd, is niet langer een gegeven. Buitenstaanders kunnen steeds gemakkelijker een geslaagde inbraakpoging ondernemen. Tot nu toe nog niet om zelf een permanente plek in te nemen, maar wel om de machtspositie van de gevestigde partijen voldoende te ontregelen. De LPF kreeg bij de laatste verkiezingen 'slechts' 17 procent van de stemmen, maar was vervolgens wel onmisbaar bij de vorming van een kabinet. Met andere woorden, een `anders-dan-anders' stemgedrag van een beperkt deel van het electoraat kan al verstrekkende gevolgen hebben.

En de kiezer houdt tegenwoordig van vreemdgaan, zo tonen de uitslagen van opeenvolgende verkiezingen aan. D66 haalde begin jaren negentig Old Hand Hans van Mierlo terug en verdubbelde in 1994 het aantal zetels van 12 naar 24. De Lijst Pim Fortuyn bewees in mei dat het nog spectaculairder kon, en voor de komende verkiezingen zijn de ogen gericht op de SP: gaat deze partij zich verdubbelen van negen naar achttien zetels of misschien wel nog meer? En de LPF? Die is weer uit en dus kunnen naar alle waarschijnlijkheid de meeste van de 26 zetels over ruim twee weken worden ingeleverd.

Kiezerstrouw wordt een achterhaald begrip. Over het verdwijnen van de honkvaste kiezer – een gegeven waar alle westerse democratieën mee te maken hebben – zijn reeds boekenkasten vol geschreven. Ontideologisering en individualisering zijn de kernbegrippen. De politieke partij als emancipatiebeweging speelt nauwelijks nog een rol. Partijen zijn onderdeel van het bestel geworden. Met als neveneffect dat burgers niet zozeer vóór een partij stemmen, maar tegen een partij. De afgelopen Tweede-Kamerverkiezingen waren hiervan een perfecte illustratie. Er werd niet gekozen vóór het CDA en vóór de LPF, maar vooral tegen paars. De kiezers lieten zich leiden door een negatieve drijfveer: paars had zaken op zijn beloop gelaten en daarom kregen de politici die het hadden over de 'puinhopen van paars' (Fortuyn) of `noodzakelijke wederopbouw' (Balkenende) zoveel steun.

Primaire en plotselinge emoties kunnen tijdens verkiezingscampagnes een prominente rol gaan spelen. Vertrouwen cq wantrouwen is een cruciale factor geworden. Vandaar ook dat het begrip persoonlijkheid in de politiek tegenwoordig zo'n belangrijke rol speelt, wat zich vertaalt in de huidige leiderschapscultus: het gaat op 22 januari niet tussen CDA, PvdA, VVD en SP, maar tussen Balkenende, Bos, Zalm en Marijnissen.

Een personenspektakel dat zich vooral afspeelt op de vele televisiezenders. Zaal en zeepkist zijn vervangen door camera en straalzender, met alle specifieke eisen van dien en die hebben geleid tot een permanente wisselwerking tussen politiek en media. Het was de socioloog Manuell Castells die de vicieuze cirkel vorig jaar tijdens een lezing in De Balie treffend verwoordde: ,,In de mediapolitiek is men uit op eenvoudige boodschappen: die vinden immers de meeste weerklank in de media. De eenvoudigste boodschap is een persoon, of liever gezegd het beeld van een persoon. In alle landen gaat de persoonlijkheid van de politieke leiders een steeds grotere rol spelen. Niet het partijprogramma op zich is geloofwaardig, maar de persoon die daarachter staat. De kiezer is op zoek naar iemand die hij kan vertrouwen. Mediapolitiek gezien komt dit erop neer dat in de verkiezingsstrijd de geloofwaardigheid van de eigen kandidaat en de ongeloofwaardigheid van de tegenstanders worden benadrukt. Een negatieve boodschap blijkt in de media een grotere impact te hebben dan een positieve boodschap. Goed nieuws is geen nieuws, zowel in de media als in de politiek. Je moet dus niet zozeer vertellen hoe goed je zelf bent, maar hoe slecht de andere kandidaten of partijen zijn.''

Dat is het beeld van de hedendaagse verkiezingscampagne. De inzet is hoog; de kwetsbaarheid van de deelnemers groot. Voor alle partijen geldt dat het zogenoemde `kernelectoraat', de trouwe aanhang, steeds verder slinkt. Het wegvallen van deze zekerheid betekent dat in toenemende mate stemmen ook werkelijk verdiend moeten worden.

Aan de ene kant is verkiezingsstrijd zodoende een veel meer open strijd geworden. Maar tegelijkerijd is er voor de meeste deelnemers ook een beperking. De electorale wingebieden liggen immers in het midden. Programmatisch gaat het noodgedwongen om een gematigde strijd, waarbij de geschilpunten veelal gezocht moeten worden in de toonhoogte. De paradoxale uitkomst is dus dat op steeds luidere toon steeds geringere geschilpunten moeten worden benadrukt.

En dat tegenover een veeleisende kiezer die zich opstelt als klant inclusief het daarbij behorende gedrag. In de winkel geldt het `niet-goed-geld-terug'- principe. De eigentijdse variant van de ontevreden kiezer luidt: niet goed stem terug.