De fiscale krijgsheren van Europa

Hoe plat mag het belastingrecht zijn? Die vraag bekroop mij in debat met Willem Vermeend enkele weken geleden. Het ging over de Europese harmonisatie van de vennootschapsbelastingen. Een uiterst belangrijke kwestie, zeker met het oog op de uitbreiding van Europa. De fiscale concurrentiepositie van Nederland is in het geding. Een aantal voor het internationale bedrijfsleven aantrekkelijke Nederlandse regelingen liggen onder Brussels vuur. Vermeend waarschuwde onomwonden dat Nederland zich te zeer als het braafste jongetje van de klas de fiscale kaas van het brood laat eten. Europa is een strijdperk. Daar moet je knokken.

Er is een keerzijde. De vennootschapsbelastingen binnen de Europese Unie mag niet ontaarden in een destructieve concurrentieslag. Tariefverlaging en faciliteiten om andere landen af te troeven, leiden op langere termijn slechts tot een race to the bottom. Dit hield de commissie-Ruding reeds in 1992 de Europese lidstaten voor. Vanuit dat besef heeft de Europese Commissie een proces op gang gebracht dat tegenwicht moet bieden aan de concurrentieslag waarin het ene land de belastingbetalers van het andere land wil kapen door ze allerlei belastingprivileges toe te stoppen. Met inventarisatie van de bestaande schadelijke belastingfaciliteiten is een belangrijke eerste stap gezet op weg naar bestrijding van zo'n ongewenste belastingconcurrentie. Diverse meer of minder verborgen, begunstigende regels en gedragingen in de nationale fiscale praktijk zijn in het zogenoemde Primarolo-rapport openbaar gemaakt. De bedoeling is daardoor de transparantie van de heersende stelsels te vergroten. Aldus ontmaskerd kunnen dergelijke faciliteiten zich op het Europese podium minder gemakkelijk handhaven dan het geval zou zijn bij gecamoufleerd faciliërend fiscaal beleid. Nederland prijkte hoog op de Europese lijst van 'verdachte' landen. Vermeend beet als staatssecretaris van Financiën fel van zich af door met een eigen rapportage andere landen, waaronder Frankrijk, met soortgelijke regelingen te kijk te zetten. Zijn opvolger Wouter Bos koos de diplomatieke lijn. Deze is nadien ook door Steven van Eijck voortgezet.

De straatvechtersmentaliteit van Vermeend veegt de vloer aan met idealisten die menen dat rechtswetenschappelijke opvattingen ons kunnen opstuwen tot een Europese rechtsgemeenschap. Hij vindt dat het Europese Hof met zijn inbreuken op de nationale belastingstelsels de lidstaten te zeer voor de voeten loopt. En Nederland weet daarover mee te praten. Diverse keren heeft het Europese Hof een budgettaire bres geslagen in de Nederlandse begroting. En momenteel hangt er weer een beslissing in de lucht over de aftrekbaarheid van financieringskosten van buitenlandse dochterondernemingen die grote consequenties heeft voor de nationale schatkist en de financieringsstructuur van het bedrijfsleven. Dergelijke risico's moeten aan banden worden gelegd. Vermeend schetst Europa vooral als een machtsbolwerk. Nederland heeft naar zijn mening met fiscale harmonisatie weinig te winnen. De les die hij op grond van zijn Europese ervaring trekt is, dat de andere lidstaten inmiddels de fiscale 'speeltjes' waarvoor Nederland in de verdachtenbank zit, in meer of minder verholen vorm hebben overgenomen. Maar zij staan niet op de lijst! Bij de uitbreiding van Europa wordt het bestaande probleem nog nijpender. Nieuwe lidstaten gaan toetreden met extreem lage vennootschapsbelastingtarieven. Estland treedt naar verwachting toe met een 0%-tarief dat gedurende een gewenningsperiode mag worden gehandhaafd. Deze landen zullen uitgroeien tot geduchte concurrenten.

Ordening is gewenst. Maar het cynisme van het machtsdenken geeft weinig speelruimte aan idealen. Het zou toch mogelijk moeten zijn fiscale krijgsheren, die op basis van macht de fiscale buit verdelen, het gevoel bij te brengen dat belastingheffing ook iets met recht te maken heeft? Er moet toch iets kunnen groeien dat naar een Europese rechtsgemeenschap tendeert?

Het is zonder meer duidelijk dat internationaal opererende ondernemingen `last' hebben van het feit dat zij binnen Europa te maken hebben met vijftien verschillende belastingjurisdicties en vijftien verschillende vennootschapsbelastingsystemen. Slechts een Europese vennootschapsbelasting kan de huidige problemen rond financieringsstructuren, verrekenprijzen, grensoverschrijdende fusies en verliesverrekening tussen verbonden vennootschappen binnen het Europese territoir fundamenteel oplossen. Maar een Europese vennootschapsbelasting zal echter, naar mag worden verwacht, - zo deze al ooit wordt gerealiseerd - nog vele jaren op zich laten wachten. Uiteraard moet elke lidstaat voor de totstandkoming van een dergelijke Europese vennootschapsbelasting zijn eigen heffingssoevereiniteit prijsgeven. Er moeten dan op EU-niveau bindende afspraken worden gemaakt over de verdeling van de opbrengst van de vennootschapsbelasting tussen de lidstaten. Daarvoor moeten verdeelsleutels worden vastgesteld.

Begrijpelijkerwijs voltrekt een dergelijk proces zich in een bureaucratisch stroperig tempo. De voor belastingharmonisatie vereiste unanimiteit maakt harmonisatie tot een oefening van geduld. Dat zal na de uitbreiding van de EU alleen nog maar erger worden. Ook is het afstaan van nationale soevereiniteit aan een nog zwak democratisch gelegitimeerde Europese Commissie geen aanlokkelijk perspectief. Dat heeft de Europese Commissie ook wel aangevoeld. Commissaris Monti, verantwoordelijk voor mededingingsbeleid, tracht daarom via de band van de 'verboden staatssteun' de schadelijke belastingconcurrentie te bestrijden. Als daarvan sprake is, heeft Brussel concrete mogelijkheden zijn eisen tot aanpassing van nationale regels via het Europese Hof af te dwingen.

Maar zolang een Europese vennootschapsbelasting politiek nog niet haalbaar is, kan het ambitieniveau niet verder reiken dan de bestaande vennootschapsbelastingen te harmoniseren. Om schadelijke belastingconcurrentie in te dammen kan worden afgesproken dat de effectieve belastingdruk niet mag dalen beneden een bodemtarief. Daartoe dient op Europees niveau een toetssteen te worden ontwikkeld. De nationale heffingsgrondslag (winst) met het bijbehorende tarief worden daaraan getoetst. Als een lidstaat minder heft dan dat minimum, zou het manco aan de Europese schatkist moeten worden afgedragen. Zo'n toetsing bevordert de transparantie, ontmoedigt de tarief- en grondslagconcurrentie en bevordert de integratie. De vaststelling van een dergelijke geharmoniseerde heffingsgrondslag kan voorts als eerste stap dienen op weg naar een Europese vennootschapsbelasting. Ook is het gewenst op uniforme wijze het gebruik van belastingparadijzen te blokkeren en het verdragsbeleid ten aanzien van derdenlanden (niet-EG-lidstaten) op Europese leest te schoeien.

Voor de Nederlandse fiscale concurrentiepositie zijn deze Europese ontwikkelingen van groot belang. Kijkt men in de verkiezingsprogramma's, dan is daarover bitter weinig visie terug te vinden. De partijen zijn nog steeds geobsedeerd door hun polderproblemen.

Leo Stevens is hoogleraar fiscale economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Dit is de derde in een serie van vier columns over het Nederlandse belastingstelsel.

    • Leo Stevens