Op de vlucht voor Amerika

Twee dagen na de aanslagen van 11 september 2001 schreef Maarten van Rossem in zijn column in de Volkskrant dat `de volstrekte irrelevantie' van het raketschild, `het favoriete speelgoed van Bush en zijn medewerkers', nu opnieuw `overtuigend was aangetoond'. Daarin had deze historicus en columnist ongetwijfeld gelijk: niet intercontinentale raketten uit een `schurkenstaat' hadden het World Trade Center in de as gelegd, maar met messen bewapende vliegtuigkapers. De kapers hadden waarschijnlijk ook toegeslagen als het wapenschild, waarmee Bush ruim een jaar na de aanslagen op het WTC definitief een begin heeft gemaakt, al was voltooid.

Waarom dan toch dat wapenschild? Of beter: waarom werd in Amerikaanse regeringskringen na de aanslag beweerd dat de noodzaak van een `paraplu' tegen vijandige raketten juist nu was bewezen? Daarover wordt de lezer in Amerika. Voor en tegen, een bundeling columns en artikelen die Van Rossem schreef voor de Volkskrant en tijdschriften als Vrij Nederland en Intermediair, helaas niets wijzer. Het wapenschild is het speeltje van Bush, een man die volgens Van Rossem mogelijk te dom is voor het presidentschap. Dat zegt blijkbaar genoeg. Van Rossem maakt verder geen woorden vuil aan de beweegredenen van Bush (en voor hem de presidenten Clinton en Bush senior) om Ronald Reagans droom van een raketbestendige verdediging levend te houden. Dat die droom na september 2001 niet uiteen is gespat, zegt iets over de kracht en blijvende populariteit ervan. Het verlangen naar onkwetsbaarheid is al even Amerikaans als andere stokpaardjes van Reagan: belastingverlaging, een rotsvast geloof in de voortreffelijkheid van de doorsnee Amerikaan en desinteresse in andere culturen. Bijna vijftien jaar na zijn aftreden beheerst Reagans wereldbeeld nog steeds het Amerikaanse politieke toneel als geen ander.

Van Rossem vertklaart dat als volgt. `De meerderheid van de Amerikaanse bevolking (is) klaarblijkelijk tevreden met het retorisch escapisme dat de politieke elite zo gemakzuchtig aanbiedt', verzucht hij in het openingsessay van Amerika. Voor en tegen, het enige nieuwe stuk in het boek. De vraag waaróm dat zo is, met SDI als metafoor voor de buitenlandse politiek en `no new taxes' voor de binnenlandse, blijft helaas onbeantwoord. Rare jongens, die Amerikanen, voegt Van Rossem de lezer impliciet in vrijwel ieder stuk toe.

Zou het niet interessanter zijn geweest om over de opmars van religieus rechts en de belastinghaters die in de Republikeinse partij de dienst uitmaken niet alleen maar meewarig te doen, maar te proberen die te analyseren? En waarom slagen de Democraten er al twee decennia niet in met een krachtig alternatief voor de dag te komen? Religieus rechts en fiscale reductionisten hebben de energie en de wilskracht Amerika naar hun ideaalbeeld te veranderen. Niet zij zijn de `escapisten', zoals Van Rossem meent, maar de progressieve Amerikanen die de politiek teleurgesteld de rug hebben toegekeerd.

Een avontuur is het Amerika van Van Rossem al lang niet meer; hij haakte af op het moment dat veel Amerikanen in de ban raakten van het visioen dat de grote illusionist Reagan hun voorschotelde. In plaats van de idealen is het vertier gekomen: Van Rossem heeft heimwee naar het straatrumoer in Manhattan en naar vijf bejaarde musici die hij ooit tegen het lijf liep in New Orleans. Hij houdt van fastfood, CNN en de T-Ford. Achter het vernis van de broodnuchtere Nederlandse commentator schuilt een escapist.

Maarten van Rossem: Amerika. Voor en tegen. Het Spectrum, 271 blz. €16,50

    • Menno de Galan