Littekens ontcijferen

In een serie over vertaalde klassieken deze week

`Wachten op de barbaren' van J.M. Coetzee

(Vertaald door Peter Bergsma. Cossee. 237 blz. euro 19,90).

Waiting for the barbarians (1980) behoort tot de romans waarvoor de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee de Engelse Booker Prize niet heeft gekregen. Maar het had makkelijk gekund, want het boek, Coetzees derde, is wat mij betreft beter dan The life & times of Michael K (1983) en bijna net zo goed als Disgrace (1999), die beide de prijs wèl kregen. Wat maakt het ook uit, het gaat om de literaire kracht van de tekst. Wachten op de barbaren, zoals de titel van de onlangs heruitgegeven Nederlandse vertaling luidt, geeft je een emotionele en intellectuele dreun die je niet gauw vergeet. Een hele prestatie, als we zien tot welk genre – de allegorie – deze roman moet worden gerekend.

Literaire allegorieën zijn per definitie gekunsteld en hebben vaak iets wezenloos, gevolg van een al te opzichtige symboliek en een goed bedoeld, maar elke fantasie smorend moralisme. Zo niet bij Coetzee, hoewel symboliek noch moraal ontbreken en de gekunsteldheid – althans voor belezen lezers – in het oog springt. Alleen al de titel is één grote literaire verwijzing, allereerst naar het beroemde gelijknamige gedicht van Kavafis. En verder naar Dino Buzatti's De tartaarse woestijn (1940) en Julien Gracqs De kust van de Syrten (1951), romans waaraan Coetzee bovendien belangrijke elementen van zijn verhaal heeft ontleend.

Ook die romans spelen zich geheel of ten dele af op de buitenpost van een groot Rijk, die bemand wordt door een klein garnizoen en gelegen is in een onherbergzaam grensgebied waarachter zich even geheimzinnige als bedreigende `barbaren' ophouden. Met enig recht kun je spreken van een topos, door Coetzee moeiteloos naar zijn hand gezet. Op dat laatste komt het natuurlijk aan: een schrijver mag jatten wat hij wil, als hij er maar in slaagt zich het gestolene eigen te maken en er iets bijzonders mee te doen.

Het bijzondere zit onder meer in de directe, welhaast fysieke concreetheid van de hoofdpersoon een opvallend contrast met de vaagheid van de wereld waarin hij zich bevindt. We komen niet eens te weten waar en wanneer het verhaal zich afspeelt, maar de oude magistraat die het vertelt staat ons al gauw springlevend voor ogen, met zijn lectuur van de `klassieken', zijn archeologische hobby en zijn voor een grijsaard veel te jeugdige vriendinnetjes. Een man van vlees en bloed, met zwakheden en kwaliteiten, wiens leventje grondig door elkaar wordt geschud, wanneer de lugubere kolonel Joll van het `Derde Bureau' zich aandient in zijn slaperige buitenpost.

In de hoofdstad is men ervan overtuigd dat de barbaren (volgens de magistraat volstrekt onschuldige `nomaden') op het punt staan het Rijk binnen te vallen. Kolonel Joll moet de zaak onderzoeken, en dan begint een ware nachtmerrie vol geweld en terreur tegen willekeurige barbaren. De magistraat, die zich niet laat meeslepen door waan en paranoia, kiest daarbij de zijde van de gruwelijk gemartelde slachtoffers. Met als gevolg dat hij ook zelf hun lot moet ondergaan.

Goed en kwaad, misdaad en fatsoen lijken glashelder tegenover elkaar te staan: aan de ene kant de kille, arrogante kolonel met zijn donkere brillenglazen en zijn folterinstrumenten, aan de andere kant de humane magistraat met zijn compassie en zijn moed om, tegen ieder materieel eigenbelang in, op het juiste moment `nee' te zeggen.

Toch pakt het enigszins anders uit, en dat behoedt de roman voor goedkoop moralisme. Niet dat er wordt getornd aan de humanistische ethiek (ook de afgrijselijk gepijnigde barbaren zijn `mensen' en dienen zo te worden behandeld) of dat Joll plotseling sympathieke trekjes krijgt, nee, Coetzee concentreert zich op de oude magistraat en op diens verhouding tot de barbaren.

De magistraat ontfermt zich over een barbarenmeisje, bij wie Joll de enkels heeft gebroken en de ogen verblind. Het leed dat haar is aangedaan, zou hij willen goedmaken. Een nobel streven, zij het niet zonder dubbelzinnigheid, zoals blijkt wanneer zich tussen beiden een halfslachtige erotische relatie ontwikkelt. Het is alleen niet de erotiek die voor problemen zorgt (want het meisje wil best), maar de foltering, die de magistraat niet uit zijn hoofd kan zetten. Door haar als slachtoffer te blijven zien, zit hij zelf een normale (ook seksuele) omgang in de weg.

Voor hem is zij de `sleutel tot het labyrint', hij wil de littekens op haar lichaam `ontcijferen'. In weerwil van zijn humaniteit, lijkt hij veel meer op Joll dan hem lief is. `Ik gedraag me in sommige opzichten als een minnaar – ik kleed haar uit, ik baad haar, ik streel haar, ik slaap naast haar – maar ik zou haar evengoed op een stoel kunnen vastbinden en haar kunnen slaan, dat zou niet minder intiem zijn.'

Ziedaar de corrumperende werking van het geweld of, zoals het in de roman wordt genoemd, van de `geschiedenis', die met haar `brute inval' de `statische tijd' van de buitenpost heeft verstoord. Ook nadat de magistraat zelf bij herhaling is gefolterd (iets wat zo indringend wordt beschreven, dat je de neiging krijgt het boek even weg te leggen, zonder dat overigens te kunnen), blijft hij zich ervan bewust hoezeer hij en Joll `twee verschillende kanten van het Rijksbewind' vormen: `Ik was de leugen die het Rijk zichzelf in gemakkelijke tijden voorhoudt, hij de waarheid die het Rijk spreekt als er gure winden waaien.'

Een overtrokken conclusie wellicht, totdat je je rekenschap geeft van het allegorische karakter van de roman. Via zijn hoofdpersoon probeert Coetzee iets te zeggen over Zuid-Afrika, waar zelfs de meest welwillende liberale blanken, hoe dan ook, deel uitmaken van het in 1980 nog volop bestaande apartheidssysteem. Dat elementaire gegeven zegt meer dan elke morele intentie.

Bijna twintig jaar later, in Disgrace, zal Coetzee laten zien welke spijkerharde consequentie daaruit, voor de blanken die na de apartheid in Zuid-Afrika willen blijven, zou kunnen voortvloeien: een moedwillig aanvaarden van totale vernedering. Ook in Wachten op de barbaren wordt de `in ongenade' gevallen magistraat tot op het bot vernederd. Maar wat bij hem het gevolg is van verzet, heeft bij vader en dochter Lurie, de hoofdpersonen van Disgrace, juist alles te maken met een afzien van verzet.

Het onderscheid laat zich verklaren door het verschil in tijd: vóór of na het einde van de apartheid. Niet door een verschil of verandering in de blik van de schrijver, want die is – meedogend en tegelijk nietsontziend – in beide romans even indrukwekkend.