Lichaamstaal

Het doek ging op, een muf luchtje wolkte de zaal binnen. Op het toneel verscheen een reusachtige man, een groot kaal hoofd, en gekleed in een wit laken dat hij over zijn geheven rechterarm gedrapeerd hield. Vorsend keek hij in het niets. Toen zei hij met bronzen stem: ,,Daar komt Tarquinius! Tklk, tklk, tklk, tklk!.'' Hij wierp een dreigende blik op de eerste rijen.

,,Waarom zegt hij tklk, tklk?'' fluisterde ik.

,,Ssst'', zei mijn vader. ,,Tarquinius zit op een paard.''

Dit is gebeurd in september 1945. Het die zomer opgerichte gezelschap Stichting Amsterdams Rotterdams Toneel (START) speelde De schending van Lucretia, van André Obey. De acteur die vertelde dat Tarquinius naderde, was Albert van Dalsum. Voor het eerst van mijn leven zag ik een toneelstuk, voor het eerst een Nederlandse toneelspeler aan het werk. Ik viel van de ene verbazing in de andere.

Er is een toneeltaal. Ik veronderstel dat je die op de toneelschool leert. Tot die taal hoort behalve een overduidelijk spreken ook een lichaamstaal, met gebaren van vreugde, wanhoop, vastberadenheid die je in het dagelijks leven niet voor je rekening zou willen nemen.

Deze jonge toeschouwer had van dit alles niet eens een vermoeden. Hij bekeek de spelers in hun doen en laten alsof ze gewone mensen in hun dagelijks leven waren. Hij dacht: ze zijn niet helemaal goed bij hun hoofd. Later raak je eraan gewend, je leert de toneeltaal verstaan, je legt andere maatstaven van waardering aan. Toneeltaal, toneel-lichaamstaal, het wordt allemaal gewoon.

De aandacht voor de lichaamstaal van de gewone mens in zijn gewone doen is betrekkelijk recent. In de Grote Van Dale, negende druk, 1970, komt het tenminste nog niet voor. Het begin van de beroepsmatige bemoeienis dateert uit de tijd dat de televisie de `gewone mens' ontdekte, dat wil zeggen het groeiend aantal mensen dat om andere redenen dan hun acteurstalent door televisiemakers de moeite waard werd gevonden om voor de camera op te treden. Vakbondsleiders, werkgevers, politici, verschenen in aparte programma's en werden behalve op wat ze zeiden, beoordeeld op hoe ze dat deden, dat wil zeggen op hun lichaamstaal. Er werden scholen opgericht waar je lichaamstaal kon leren spreken. Nu, bij het eerste lijsttrekkersdebat zat een mediadeskundige aan, die de antagonisten na afloop van kritiek voorzag. Het is beter, zei ze onder andere, als je in het vuur van het debat niet met de volle rug tegen de leuning van de stoel komt. Het is een onderdeel van assertiviteitstrainingen die ook alweer tientallen jaren in de aanbiedingen zijn.

Ik heb een ander idee. Vroeger hielp ik mee televisiedocumentaires te maken. Die werden op 16 millimeter film opgenomen. Uit een overvloed van materiaal werd dan aan de montagetafel het verhaal gemonteerd. Een nauwkeurig werk, waarbij het erop aan kwam, zeer zorgvuldig te snijden en te plakken.

Zo'n film heeft 16 tot 24 beelden per seconde. In de montage is het mogelijk iedere beweging van iedere gelaatsspier in zo'n fractie van een ogenblik tot stilstand te brengen. Dan pas valt het goed te bekijken. Zo valt bijvoorbeeld te zien hoe een gezicht binnen niet meer dan twee seconden zich van radeloosheid naar aarzeling naar vastberadenheid kan bewegen. Niets blijft verborgen. En bij iedereen, wie dan ook, zijn er fracties waarop hij/zij met een onpeilbare melancholie in de leegte kijkt.

Ik heb weleens gedacht duizend blikken van verschillende mensen in die fractie achter elkaar te plakken. Dat geheel zou de somberste paar minuten film aller tijden opleveren.

Het is onthullend. Het beste voorbeeld van de laatste tijd is te zien in Michael Moore's film over het vuurwapenbezit in Amerika, Bowling for Colombine. Moore interviewt daarin o.a. Charlton Heston, voorzitter van de National Rifle Association, die, volgens eigen zeggen, zijn geweer alleen `uit zijn koude, dode handen' zal laten wringen. Moore stelt zijn vragen, over de schietpartijen op middelbare scholen, en Heston is bang. De held van het Wilde Westen begint schuw te kijken, ontwijkt de blik van zijn ondervrager, wil hem desperaat de deur uit hebben. Moore ziet het; hij kent geen genade. Een adembenemende uitwisseling in lichaamstaal, gezichts- en ogentaal die eigenlijk tot de laatste fracties van seconden vertraagd en gefileerd had moeten worden.

Nu de politieke debatten. Wat een prachtige documentaire zou daarover gemaakt kunnen worden, zelfs nu al, vóór de 22ste. Niets anders dan die reeksen gezichtsbewegingen, oogopslagen van Balkenende, Bos, De Graaf, Halsema, Herben, Marijnissen en Zalm (alfabetische volgorde). Ik denk dat een begaafd cineast, of zelfs een minder begaafde, er een bijdrage tot de vaderlandse geschiedenis mee zou kunnen leveren. Daarna hoef je geen lichaamstaal meer te verstaan; misschien niet eens verstand van politiek te hebben.

    • H.J.A. Hofland