Laat maar, ik doe het zelf wel

De wraak op de regenten lijkt alweer bijna vergeten, in de politieke hoogtijdagen van 2003: het gaat weer om de economie. Maar volgens de socioloog Gabriël van den Brink is de mondige burger geen voorbijgaande figuur. De diagnose kennen we nu. Het wachten is op een politiek antwoord.

Hoeveel `revolutionaire' jaren achter elkaar kan een land zich veroorloven?

Pim Fortuyn walste de gevestigde politiek plat, de PvdA voorop. Dat was de werkelijkheid en het beeld van 2002. Maar wat zal daarvan over een kleine drie weken na de verkiezingen van 22 januari nog over zijn? De comeback kid van dit moment heet de nieuwe PvdA-leider Wouter Bos. Jong, fris, geen ballast en nog geen fouten gemaakt. Als een pas geïntroduceerd IT-fonds ten tijde van de internethype schiet de PvdA momenteel weer in de peilingen omhoog. Einde van de revolutie van 2002, of juist een bevestiging van de onrust op de markten? In dit geval de kiezersmarkt.

Nederland ging rechtsaf, was de conclusie van 15 mei. En nu? Nu blijkt de SP van Jan Marijnissen plotseling een politieke factor van belang. Nu is het Jan Marijnissen die de politieke concurrentie de maat mag nemen in plaats van andersom. Zelf schrijft hij daarover: `Het is even wennen voor die partijen die sinds jaar en dag gewend zijn onderling na verkiezingen de knikkers en de poppetjes te verdelen. Maar die tijden zijn over – en dat is maar goed ook. Bij verkiezingen moet er iets te kiezen zijn en het is erg plezierig dat veel kiezers momenteel aangeven méér te voelen voor ónze koersvoorstellen dan voor de oude politiek die VVD, CDA en PvdA sinds 1977 gebroederlijk hebben gevoerd'.

Het staat er krijgslustig, in zijn vandaag verschenen boek Nieuw optimisme. Hij legt het allemaal nog één keer uit. Het boek is een pamflet tegen de tweedeling in de samenleving tussen rijken en armen, vermengd met een uiteenzetting over de drijfveren van de persoon Jan Marijnissen. De SP is namelijk wel tegen de markt, maar Marijnissen weet heel goed wat die markt wil. Wil men de mens achter de politicus zien, dan krijgt men ook de mens achter de politicus.

Achttien zetels (nu negen) heeft de SP in de jongste peilingen nog maar. Nog maar! Het cliché is inmiddels alweer gevallen: de SP heeft te vroeg gepiekt. Maar inmiddels heeft de `te vroeg gepiekte', tot voor kort linkse splinterpartij in de peilingen nog wel de omvang van een middelgrote partij. Omdat de SP misschien wel dezelfde sentimenten aanroert als Fortuyn. Hoe lang is het nog maar geleden dat de SP zich manifesteerde als tegenpartij?

De slotsom. De LPF werd vanuit het niets de tweede partij van het land en is nu alweer richting uitgang, het CDA van nagenoeg afgeschreven tot helemaal terug in het centrum van de macht, de PvdA van 22 zetels verlies acht maanden geleden naar een virtuele winst van 12 zetels nu. Wie het allemaal precies kan duiden mag het zeggen.

Veruit de grondigste studie die over de revolte van het afgelopen jaar, min of meer per toeval, is verschenen, komt van de socioloog Gabriël van den Brink. Hij heeft een zeer bijzondere prestatie geleverd want zijn in opdracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid verrichte en vorige maand als boek verschenen onderzoek Mondiger of moeilijker was begin vorig jaar – toen de opstand in Nederland nog moest uitbreken – reeds in concept klaar.

Van den Brink onderzocht de vraag of besturen en het bedrijven van politiek `moeilijker' zijn geworden doordat de moderne burgers veel mondiger zijn dan vroeger. Het lijkt op het eerste gezicht een vraag die het bekende vooroordeel tegen sociologie als `open-deuren wetenschap' bevestigt. Maar het van diverse kanten aangedragen sociaal-wetenschappelijke materiaal dat Van den Brink voor zijn hypothese opstapelt, levert een fantastische röntgenfoto op van de Nederlandse samenleving. Veel te bescheiden stelt Van den Brink in zijn voorwoord dat zijn studie handelt over `weinig spectaculaire verschijnselen die zich over een langere tijdsperiode uitstrekken'. Dat is juist de waarde van zijn onderzoek.

Uit het onderzoek blijkt dat de vorig jaar geventileerde `onvrede' niet betekent dat Nederlanders massaal ten prooi zijn gevallen aan morele paniek of ongeloof in de democratie. Integendeel: de democratie wordt juist breder gedragen dan ooit. De onrust is ook niet louter terug te voeren op zaken als rotzooi op staat, wachtlijsten of te veel buitenlanders. Veel politici van de oude garde vroegen zich het afgelopen jaar verbijsterd af waar dat plotselinge ongenoegen van de burger dan toch vandaan kwam. Uit de studie van Van den Brink blijkt dat er sprake is van een op vele fronten sluipend proces van verwijdering tussen burgers en bestuur, en dat het wachten slechts was op degene die het opgebouwde ongenoegen kon activeren.

Als gevolg van verschillende ingrijpende culturele ontwikkelingen – zoals de toegenomen welvaart, individualisering en grote aandacht voor kinderen en opvoeding – is een `assertieve burger' ontstaan, die in de ogen van Van den Brink een politieke paradox heeft opgeleverd. Grof geformuleerd: de assertieve burger is méér in politiek geïnteresseerd, maar heeft veel minder belangstelling voor de politiek zoals die traditioneel bedreven wordt.

De kernvraag die Van den Brink vervolgens opwerpt is of beide trends elkaar aanvullen, uit elkaar lopen of zelfs in strijd zijn met elkaar. Hij spreekt in dit verband over een `levensgroot dilemma'. `Enerzijds willen assertieve burgers zoveel mogelijk zelf invloed uitoefenen op hun bestaan. Ze willen dat niet alleen, maar ze kúnnen het in veel gevallen ook. Ze kunnen het in elk geval beter dan enkele decennia terug. Ze hebben immers meer sociaal, cultureel en politiek kapitaal in huis dan ooit en gaan – ook voor zichzelf – vaak van hoge normen uit. Anderzijds kunnen (en willen) ze dat alleen maar doen binnen het kader van een parlementaire democratie zoals die zich in de loop van de Nederlandse geschiedenis ontwikkeld heeft. Dat wil zeggen een kiesstelsel dat al vele decennia nauwelijks veranderd is, een politieke cultuur die haar eigen regels volgt en politieke partijen die op tamelijk voorspelbare wijze door professionals gerund worden.'

Het is dus niet zo'n groot dilemma gebleken als Van den Brink suggereert. Want de komst van Fortuyn heeft de assertieve burger er vanaf geholpen. Die burger kon binnen het door hem omarmde kader van de parlementaire democratie zijn ongenoegen prima uiten en vertolkt zien. De boze burger hoefde de straat niet op om revolutie te maken.

Rode draad door de studie van Van den Brink is de indeling van de burgers in drie categorieën: de `bedreigde burger' de `berustende burger' en de `bedrijvige burger'. Zijn stelling is dat Fortuyn voor zowel voor de eerste als de laatste groep een boodschap had. `Enerzijds de bedreigde burgers die zich door de dynamiek van de moderne maatschappij met al haar migratie en mobiliteit bedreigd weten. Anderzijds de bedrijvige burgers die zich ergeren aan de overheid en haar bureaucratisch optreden.'

De analyses van de verkiezingsuitslagen bevestigen de aanname van Van den Brink: de LPF won in zowel de achterstandswijken als de villawijken. Toch is de vraag of de driedeling van Van den Brink niet te schematisch en daarmee te statisch is. Want zou niet althans een deel van de `berustende burgers' zich juist aangesproken gevoeld hebben door het verbale geweld van Fortuyn?

Dat neemt niet weg dat Van den Brinks uitvoerige beschrijving van de sociologische veranderingen van Nederland zeer verhelderend is voor het duiden van het burgerlijk ongenoegen. Die veranderingen hebben op diverse terreinen geleid tot een ander begrippenkader. Typerend is de gewijzigde manier waarop de Nederlander omgaat met het begrip ruimte. `De toegenomen behoefte aan bewegingsvrijheid is één van de meest kenmerkende aspecten van onze assertieve levensstijl', schrijft Van den Brink. Om daar direct aan toe te voegen: `Als wij ons gevoel van eigenwaarde onverkort blijven omzetten in ruimtelijke termen zal het gevoel dat Nederland `vol' is nog verder toenemen.'

Probeer nu maar eens met die gewijzigde percepties om te gaan als politicus of bestuurder. Van den Brink heeft het antwoord ook niet, behalve dan dat de overheid een grote mate van flexibiliteit en creativiteit zou moeten opbrengen. Maar het geven van antwoorden was dan ook niet zijn opdracht. Hij heeft getracht het wispelturige gedrag van de burger te verklaren, en dat is al heel wat.

Maar hoe staat het met het antwoord van de politici? Zij zijn nog zoekende. Vorige week beleefde Nederland de primeur van Wim Kok als politiek analyticus. Het gebeurde tijdens een marathoninterview voor de VPRO-radio. Pas in het laatste uur van het gesprek met Arend Jan Heerma van Voss kwamen dan toch eindelijk de turbulente gebeurtenissen van 2002 aan de orde. Kok waarschuwde: ,,De storm die door Nederland is gegaan is nog lang niet uitgewoed.' Want, zo zei hij, ,,er is meer aan de hand dan een fenomeen Fortuyn.'

Niet bepaald een verrassende analyse, maar wèl verrassend uit de mond van Wim Kok. Ook hij ziet nu dus met terugwerkende kracht in dat er het afgelopen jaar wel degelijk wat broeide in Nederland. Daarmee vormt Kok het levende bewijs van de stelling dat het duiden van ingrijpende maatschappelijke gebeurtenissen tijd vergt. In tegenstelling tot vorig jaar neemt Kok nu ook aan dat er meer aan de hand was dan de opkomst van een door de media uitvergrote extravagante debater van buiten, die de politiek in wilde. Maar wat dan? Kok zei afgelopen vrijdag ,,de geheel bevredigende verklaring' nog niet te kunnen geven. Terecht. De alles omvattende verklaring voor de ongekende populariteit van Pim Fortuyn en het daarmee samenhangende fortuynisme zal nog tijden op zich laten wachten. Als die sluitende verklaring ooit gegeven zal kunnen worden.

Tot die tijd wordt `met de wetenschap van nu' (een term die nog nooit zo vaak is gebezigd als de afgelopen negen maanden) met terugwerkende kracht heel veel gelijk gehaald in heel veel boeken en publicaties. Nog nooit zijn er in zo korte tijd zoveel boeken over de politieke actualiteit verschenen. En er zullen nog vele volgen. De schrijfdrift van betrokkenen en de belangstelling voor die boeken geven nog eens aan hoe bijzonder het verkiezingsjaar 2002 voor Nederland is geweest. Tegelijkertijd hebben al die afzonderlijke waarnemingen en getuigenissen ook iets onbevredigends. Het zijn stukjes uit een puzzel, waarvan het complete beeld ontbreekt omdat nog veel stukjes weg zijn. Maar de auteurs denken wel allemaal dat hun stukje het hele verhaal is. Daarmee illustreren zij op perfecte wijze het naar binnen gekeerde karakter van de politiek. Het eigen gelijk als maatstaf der dingen.

Dat is bijvoorbeeld het grote manco van het eind vorig jaar verschenen boek De strijd om de macht van PvdA-campagnemedewerker Jacques Monasch (Besproken in Boeken, 29.11.02), dat bestaat uit een vernietigend relaas over de campagne van de sociaal-democraten, beter gezegd de campagne van Ad Melkert. Geen beter vermaak dan leedvermaak. Wat dat betreft leest het boek van Monasch als een trein, maar de meest gehoorde en terechte kritiek was dat het boek geschreven is met de wijsheid achteraf. Monasch heeft zich nadien tegen die kritiek verdedigd met het argument dat hij in het boek vaak ook kritisch is over zijn eigen rol. Maar dat is nu juist het punt: achteraf kritisch. Want Monasch is tot het laatste moment blijven meedraaien in een campagne waarin hij zelf, getuige zijn boek, eigenlijk niet meer geloofde.

Veel meer distantie kent het boek De achterkamer. Het drama van de PvdA 1998-2002 van de Parool-journalisten Addie Schulte en Bas Soetenhorst. Het is een minutieuze beschrijving van de opkomst en ondergang van Ad Melkert. Het boek begint bij zijn strak geregisseerde aanwijzing als PvdA-fractievoorzitter in 1998 en eindigt met zijn vrijwillige verbanning naar de Wereldbank in Washington dit najaar. Daarmee wordt het drama van de PvdA gelijkgesteld met het drama-Melkert. Voor een belangrijk deel is dit natuurlijk ook zo. Melkert verbeeldde als geen ander de PvdA tot aan de verkiezingen van 15 mei vorig jaar: verknoopt aan de macht en van plan die macht nog lang te houden.

Aan dat doel werd alles ondergeschikt gemaakt: de rest van de partij, bijvoorbeeld. Het blijft fascinerend te lezen hoe telkens geprobeerd wordt de groep mensen die er werkelijk toe doet zo beperkt mogelijk te houden. Tekenend is de beschrijving van een bijeenkomst van de campagnetop (Kok, Melkert en staatssecretaris Dick Benschop) in december 2001 met het bestuur van de Tweede Kamerfractie die na lang aandringen toegang kreeg tot het machtscentrum om te praten over de op handen zijnde verkiezingscampagne. Minister Klaas de Vries, ook uitgenodigd voor het overleg, staat na het beraad op om naar huis te vertrekken. Maar in de gang wordt hij door de achterblijvers Kok, Melkert en Benschop teruggeroepen. De vergadering van het campagneteam waarvan De Vries dacht dat deze juist was gehouden ging beginnen. Echte zaken werden gedaan zonder de aanwezigheid van het het fractiebestuur.

Toch is de dwangmatige neiging van mensen als Melkert en Kok om alles onder controle te houden lang niet de enige verklaring voor het echec van de PvdA. Die suggestie roept het boek wel op door de geconcentreerde aandacht op de verwikkelingen aan het Binnenhof. Maar de grootste electorale ramp voor de Partij van de Arbeid speelde zich vorig jaar af in Rotterdam bij de raadsverkiezingen. Dat had weinig te maken met Melkert of Kok maar veel meer met de regenteske, geen tegenspraak duldende wijze van besturen van de PvdA die Pim Fortuyn in zijn rol als lokaal lijsttrekker ook in Rotterdam effectief wist door te prikken.

Het boek van Schutte en Soetenhorst is een knap journalistiek verslag van wat zich allemaal rond de Haagse PvdA-top heeft afgespeeld alhoewel je wel een echte liefhebber moet zijn om al die details (`Na afloop komt Van Hees snikkend op Hamer af. ,,Wat moet ik doen? Zal ik morgen op je bruiloft komen? Ik weet hoe je er naartoe hebt geleefd'.') ruim tweehonderd pagina's lang tot je te nemen. Zeker omdat het maar een deelaspect van het PvdA-drama is.

Wat ontbreekt is de bredere context. Want is de PvdA niet het slachtoffer van een structureel probleem, namelijk de legitimiteitscrisis van de politiek in zijn totaliteit? Natuurlijk moet de PvdA zichzelf de record verkiezingsnederlaag zwaar aanrekenen. Temeer daar de recent verschenen boeken over de PvdA genadeloos laten zien dat de partij daar nog zelf aan heeft meegeholpen door in de campagne fout op fout te stapelen. Maar het is veel te simpel om het succes van Fortuyn louter te beschouwen als het falen van de PvdA.

Niet afzonderlijke partijen zijn in een crisis terecht gekomen, maar de politiek in haar geheel. Het functioneren van de partijen kan ook niet meer worden afgemeten aan de electorale winst- en verliesrekening. Dat verblindt slechts en maakt onderliggende bewegingen onzichtbaar. De grote en plotselinge winst die het CDA bij de verkiezingen haalde is in feite net zozeer een uiting van een crisisverschijnsel. Want hoe rijk mag een partij zich rekenen als een groot deel van de aanhang bestaat uit politieke vluchtelingen die in de turbulentie van mei op zoek waren naar een veilig heenkomen?

De oorzaken voor de opstand van de kiezer liggen dieper en daarom heeft Kok ook gelijk met zijn constatering dat de `storm' in Nederland nog niet over is. De LPF zal als gevolg van wanprestatie wel weer grotendeels van het politieke toneel verdwijnen. Een deel van het opstandige electoraat zal onderdak zoeken bij de SP, een ander deel zal thuisblijven, en ongetwijfeld zullen sommige teleurgestelden ook terugkeren naar hun oude partij. Maar daarmee is nog niets opgelost. Zoals Hans van Mierlo zich in het onlangs verschenen Jaarboek parlementaire geschiedenis afvraagt: `Waarom is dit land ineens van alle Europese landen het meest in beroering? Er is een storm over dit land gegaan. Natuurlijk, die storm waait wel weer over. Maar er is wel een bos kapot; en daar komt voorlopig niets voor in de plaats. Daarover maak ik me dus bezorgd. Want als alles weer bij het oude blijft, dan zijn de kiemen voor de volgende storm al gezaaid, dan blijft het geknoei.'

Geen enkele fiducie heeft Van Mierlo in de oude partijen die vaststellen dat zij er gelukkig zijn om de zaak weer op orde te krijgen. Hij noemt dat `de hypocrisie ten top' want die analyse gaat er volgens hem aan voorbij dat het bestel en de partijen die dat bestel overeind houden juist de oorzaak zijn van wat er bij de afgelopen verkiezingen in Nederland is gebeurd. Niet verwonderlijk dat de oprichter van D66 de geboorteakte van zijn partij er nog maar eens bij haalt. `De partijen zouden tot het inzicht moeten komen dat het hoog tijd is iets van hun macht af te staan aan de burger; iets meer democratisering, iets meer directe democratie.'

Ook Van Mierlo's analyse is hiermee een manifestatie van eigen gelijk. En daarmee opnieuw een deelaspect en niet dé verklaring. Eigenlijk zou het antwoord natuurlijk moeten komen van de nieuwe politici. Pim Fortuyn fulmineerde in zijn boeken tegen de werking van het politieke systeem en het openbaar bestuur. Hoe gaan zijn volgelingen daarmee om? In het laatste hoofdstuk van zijn boek Blinde Ambitie belooft Eduard Bomhoff, de na 87 dagen aan de kant gezette LPF-minister van Volksgezondheid, antwoord te geven op de vraag of de kiezers vorig jaar gelijk hadden met hun `boosheid'.

Daarvoor maakt hij de ook door Fortuyn vaak gemaakte maar daarom niet minder onzinnige vergelijking tussen politiek en het bedrijfsleven. `Laat op een goede dag de wens van Fortuyn in vervulling gaan, zodat mensen met ervaring uit het bedrijfsleven in Den Haag plaatsnemen en wél succes hebben', schrijft Bomhoff.

Je moet maar durven, als je zelf, als propagandist van de bedrijfsmatige aanpak, reeds binnen drie maanden volledig hebt gefaald.

Gabriël van den Brink: Mondiger of moeilijker. Een studie naar de politieke habitus van hedendaagse burgers. Sdu, 210 blz. €28,95

Jan Marijnissen: Nieuw optimisme. Aspekt, 140 blz. €12,50

Addie Schulte en Bas Soetenhorst: De achterkamer. Het drama van de PvdA 1998-2002. Van Gennep, 216 blz. €16,–

Carla van Baalen e.a. (red.): Jaarboek parlementaire geschiedenis 2002. Sdu, 202 blz. €15,–

Eduard Bomhoff: Blinde ambitie. Balans, 176 blz. €12,95

    • Mark Kranenburg