Jo met de banjo

In 1959 maakte cabaretier Toon Hermans een speelfilm over het conflict tussen een worstfabrikant en een dichter. Het resultaat was een jammerlijke mislukking.

Op de première-avond, op 23 oktober 1959 in het City-theater in Amsterdam, waren de kritieken al verschenen. Na afloop van de film betrad Toon Hermans het toneel. Hij kreeg bloemen en zei, blijkens de krantenverslagen: ,,Nou ja, u hebt het wel gelezen, hè? Maar geef me alsjeblieft een beetje de tijd. Besef dat dit maar een experiment is geweest. Ik ben – dat weet u – een jongen uit het cabaret en ik wou wat anders, om niet altijd hetzelfde te moeten doen. Ik ben een film gaan maken, terwijl ik nooit eerder een camera in mijn handen had gehad. In het begin kon ik nog niet eens een behoorlijke foto van mijn kinderen maken.''

Ook in de daaropvolgende dagen liet de 42-jarige cabaretier zijn debuutfilm niet los. In diverse bioscopen richtte hij zich voor of na de vertoning tot het publiek. Telkens sprak hij deemoedige woorden over zijn beginnersstatus, en over de felle kritiek die hem ten deel was gevallen. Maar allengs verzamelde hij toch weer nieuwe moed. ,,Een slechte kritiek kan mij er niet van weerhouden om met filmen verder te gaan'', zei hij op strijdlustige toon. Stellig kondigde hij zelfs al een volgende productie aan, waartoe hij hoopte uit te wijken naar een goed geoutilleerde studio in Frankrijk. Hij zou het er niet bij laten zitten: ,,Vóór ik vijftig ben, wil ik ongeveer tien films gemaakt hebben. Daar zal men van opkijken, maar toch wil ik dat.''

Moutarde van Sonansee is desondanks de enige film gebleven, die Toon Hermans ooit heeft gemaakt.

Hij wist wat hij wilde. Chaplin was een jeugdheld, Tati een lichtend voorbeeld en Bert Haanstra, door de visuele grapjes in het kassucces Fanfare (1957), een inspiratiebron. Zelf had hij in die jaren, omringd door een ensemble van jonge artiesten, tierelantijnige theaterprogramma's gemaakt in een zonnig sfeertje van lentepoëzie en kleurige kolder. Daarna speelde hij als eerste in Nederland een one man show, die niet alleen volle zaken trok, maar in 1958 ook met doorslaand succes rechtstreeks en avondvullend was uitgezonden door de AVRO. Met zo'n artiest op het toppunt van zijn roem durfde directeur Huib Wilton van de bioscooponderneming City Film de investering van 425.000 gulden wel aan.

Strandstoelen

,,Ik ben ervan overtuigd dat iedereen die kunstenaar is, een film kan maken'', zei Toon Hermans als iemand zijn filmavontuur in twijfel trok. Hij schreef het scenario en de muziek, ontwierp de decors, speelde de hoofdrol en voerde de regie, met de in opdrachtfilms gespecialiseerde cameraman Herman Wassenaar als steun en toeverlaat. Verder vond hij in zijn eigen woonplaats Zandvoort de geschikte locaties: het strand, de boulevard, een toen nog verveloos straatje in het oude centrum en een in onbruik geraakt bioscoopje, dat in de wintermaanden werd gebruikt voor de opslag van strandstoelen en nu dienst kon doen voor de binnenopnamen. Daar verrezen de interieurs van de in prullaria handelende dichter Monsieur Moutarde, de dominante worstfabrikant Braad, de kruiperige notaris W. Dick Feel, de pastoor en de struise blondine die het hart van de held op hol zou brengen.

Hermans liet zich omringen door enkele acteurs van weinig faam en dilettanten wier gelaatstrekken hem bevielen. Eén van hen was de bejaarde Jan van der Horst, die tijdens de auditie onmiddellijk de pastoorsrol kreeg. Zijn dochter Tonny schreef een paar jaar geleden op de Achterpagina, dat de opnamen maar liefst anderhalf jaar duurden, en dat Hermans ,,als een bezetene'' doorwerkte. Voortdurend bleef hij het script veranderen. ,,Maar hij is een prima vent voor zijn mensen'', vertelde Jan van der Horst thuis. ,,Nooit heb ik hem tegen iemand tekeer horen gaan. Hij had een eindeloos geduld, en als je het koud had, gooide hij een jas over je schouders.''

Los zand

Moutarde van Sonaansee ging, voorzover de film dat duidelijk kon maken, over een conflict tussen de worstfabrikant, die een grotere fabriek wilde bouwen, en de dichter, wiens schilderachtige huisje daarvoor zou moeten wijken – tenzij bewezen zou worden dat Moutarde eigenlijk afstamde van oude Franse adel. Maar de hele boel hing als los zand aan elkaar, vond de kritiek. Hermans' scenario was, aldus het Algemeen Handelsblad, ,,een slordig rijgsel'', zijn dialogen waren ,,onbeholpen'' en zijn decors ,,rommelig'', zijn liedjes ,,hebben geen zin op een filmdoek'' en ook voor de rest deugde er geen klap van: ,,Zijn regie is er niet; zijn beheersing van het filmvak blijkt uit niets.''

Zelfs de professionele filmwereld kwam in opstand. In het novembernummer van het blad van de Nederlandse Beroepsvereniging van Filmers stond een furieuze aanval op het feit dat een amateur (,,een man die zich willens en wetens distantieerde van vakkundige medewerking op vrijwel ieder terrein'') de benodigde tonnen gelds had gekregen om een film te maken. Diep medelijden had het NBF-orgaan met de ervaren cutter Han Rust, die aan de montagetafel nog iets had moeten maken van ,,deze knoeiboel, waaraan hij zijn vakmanschap zat te vergooien''. En een schande was het, dat Hermans in zijn ,,eigenwaan'' had verwezen naar Bert Haanstra, die immers óók klein begonnen was. Zag de man dan niet het grote verschil tussen Haanstra, die het filmvak had geleerd door in nederige baantjes bij anderen te assisteren, en zijn eigen dilettantisme?

Zo bleef de affaire nog even doorrommelen, tot er in de loop van 1960 weer andere Nederlandse films kwamen waarop ander commentaar kon worden geleverd. Bert Haanstra's tweede komedie (De zaak M.P.) flopte, maar Herman van der Horst (Faja Lobbi), Louis van Gasteren (Stranding) en Fons Rademakers (Makkers staakt uw wild geraas) kregen mooie kritieken. Moutarde van Sonansee zakte langzaam maar zeker uit de herinnering weg. Wie de film destijds niet zag, kreeg geen tweede kans. ,,Het was gewoon je reinste amateurisme'', zei Toon Hermans bij nader inzien, in een televisie-interview in 1991. Maar niemand kon het controleren; de film werd nooit meer vertoond.

Nu heeft het Filmmuseum een gerestaureerde kopie van de film gemaakt, die binnenkort te zien zal zijn in het Tuschinski-theater in Amsterdam. Daar, op het doek, gaan de gordijnen open en treedt een jonge Toon naar voren – onder zijn dunne snorretje een brede grijns van de voorpret. Met een paar fletse woordgrapjes wenst hij ons veel plezier. Dan verschijnt het oude Zandvoort, in schitterend zwart-wit, terwijl de camera de vakantiegangers bekijkt zoals Tati dat deed. Op het strand worden zandtaartjes gemaakt uit een Mexicaanse hoed, iemand draait aan een autoslinger en er klinkt draaiorgelmuziek, de wandelvereniging van de worstfabriek komt langs en zingt ,,Jo met de banjo en Lien met de mandolien, Kaatje met haar mondharmonicaatje'' (dus dáár komt dat liedje vandaan) en aan de bric à brac-kraam van Monsieur Moutarde hangt een bordje met de tekst ,,Man spricht Deutsch (Frau nicht).''

Horten en stoten

Gaandeweg, met horten en stoten, komt ook het verhaaltje op gang, maar al gauw wordt duidelijk dat de regisseur vooral in de hoofdrolspeler geïnteresseerd was. Voortdurend komt Monsieur Moutarde in beeld als de dromerige troubadour, die zich van de dreiging niets lijkt aan te trekken. Integendeel; hij neemt alle tijd om steeds weer nieuwe liedjes te zingen en gedichtjes voor te dragen: ,,Ik ben 'n trein zonder locomotief/ zwijgend sta ik in de remise/ ik wil per se mijn hart verliezen/ maar niemand heeft me lief...'' En zijn hemelse blikken zeggen: ,,Ben ik niet om op te vreten?'' Ja, ja, hij is een romanticus – en dat zullen we weten.

Ten slotte komt de korte scène die de kijker moet vertellen dat Moutarde echt van Franse afkomst is. We zien een voorvader in streepjestricot in een hooiberg liggen, en dan doemt er een als verleidelijk zigeunerinnetje uitgedoste tuinmansdochter op. ,,Qui êtes-vous?'' vraagt de voorvader, die natuurlijk eveneens door Toon Hermans wordt gespeeld. ,,Embrasse-moi'', antwoordt de jongedame. Zij is de 23-jarige Nelly Frijda, die eerder in het cabaretensemble van Wim Kan had gespeeld, en nu, meer dan veertig jaar later, in haar jongere uitvoering onmiddellijk haar dochter herkent.

Ze herinnert zich nog levendig hoe deze scène, inclusief een hitsig bedoelde omhelzing in het hooi, tijdens een koude nacht in Zandvoort werd gefilmd: ,,Achter de camera zaten twee mensen met ogen op steeltjes toe te kijken hoe ver we zouden gaan. De één was Rietje, de vrouw van Toon, en de ander was professor Nico Frijda, met wie ik toen net getrouwd was.'' Ook weet ze nog dat ze de film destijds al ,,ontzettend vervelende ijdeltuiterij'' vond.

En naarmate Moutarde van Sonansee verder gaat, ziet ze haar indruk van toen bevestigd. De intrige raakt hoe langer hoe meer verstrikt in de onverwachte wendingen rond het afstammingsverhaal, waarna het hele verhaal bovendien langdurig stil komt te staan, omdat Hermans ook nog zo'n droom wilde spelen als in de Walter Mitty-film van Danny Kaye. Opeens duikt hij op als een dokter, die aan de operatietafel de ene woordspeling na de andere te berde brengt. De patiënt heeft ,,een ontsteking in zijn wambuis'', maar met de bloedvaten is niets mis: ,,Wat in een bloedvat zit, verzuurt niet.'' En als de arts om een instrument vraagt, wordt hem een tuba aangereikt die hij echter weigert: ,,Nee, 't is geen blaasoperatie.'' En zo gaat het nog minutenlang verder. Tot hij weer uit zijn droom ontwaakt en het happy end wenkt.

Moutarde van Sonansee leverde City Film in 1959 een verliespost van 345.000 gulden op, want met ruim 250.000 bezoekers konden de kosten niet worden terugverdiend. Zo'n bezoekcijfer zou tegenwoordig genoeg zijn voor een Platina Film.

`Moutarde van Sonansee' is op 19 januari te zien in Tuschinski, Amsterdam, aanvang: 10.30u. Inl. (020) 5891400 of www.filmmuseum.nl