Het begin was een banaan

In `Banana Biz' van dansgroep de Meekers wordt de idylle van een tropisch eiland doorgeprikt. Choreograaf Arthur Rosenfeld: ,,De dans in Nederland is mij te abstract.''

`Zo'n anderhalf jaar voor de première werd ik door ons impresariaat gebeld. Ze wilden weten wat de naam van onze nieuwe voorstelling zou worden. Meestal heb ik wel een thema, maar ik had voor het eerst van mijn leven geen idee. Tijdens het telefoontje lag er een banaan op tafel. Ik riep uit het niets: Banana Biz. Zo is de naam ontstaan.'' Artistiek leider Arthur Rosenfeld van het jeugddanstheatergezelschap de Meekers zet de verwarming in het nieuwe onderkomen aan de Coolhaven in Rotterdam aan en schenkt koffie. Aanvankelijk had hij nog het idee om het thema handel onder de loep te nemen, maar het werd een voorstelling over een bananenloos vakantie-eiland met bountystrand en kokosnoten. Een groepje toeristen belandt er na een vliegtuigcrash die even ludiek als spannend wordt vormgegeven in licht, dans en geluid. De schone schijn van het zonnebaden, zwemmen, luieren en het aangaan van vakantieromances wordt op luchtige wijze doorgeprikt: de vakantievierders willen ten slotte hun paradijselijke eiland inruilen voor hun eigen thuis. Als gebruikelijk bij de voorstellingen van Rosenfeld is Banana Biz voor zesjarigen een even aangename ervaring als voor volwassenen. De verwijzing naar de roman Lord of the Flies uit 1954 van Nobelprijswinnaar William Golding, waarin een groepje jongens na een vliegtuigcrash op een onbewoond eiland elkaar moet zien te overleven, is even evident als de symboliek van de in Flintstonepakken uitgedoste `ClubMed-animateurs' Robinson en Vrijdag.

Arthur Rosenfeld (Philadelphia, 1952) houdt van het theatrale en van grappen voor alle leeftijden. Als kind al. ,,Waarschijnlijk was ik een cynisch, bij vlagen opstandig kind. Een showmannetje met een verder rustige jeugd. Ik had als kind al gevoel voor vormen en iedereen dacht dat ik door mijn schildertalent wel kunstenaar zou worden. Maar ik kwam uit een academisch milieu en ik ging natuurkunde studeren. Toen ik ontdekte dat taal me beter lag, koos ik voor een studie literatuur. Ik las ook veel toneelstukken.'' Tijdens zijn studie ontdekte Rosenfeld de dans. ,,Ik was een jaar of achttien, ik werd verliefd op dans, was helemaal verslaafd. Maar ik durfde het niet toe te geven. Je moet je voorstellen: New York, eind jaren zestig, hippietijd. Mijn ouders maakten zich zorgen. Wat heeft hij nou weer? vroegen ze zich af. Was dans wel een serieus beroep waarmee je gewoon je geld kon verdienen? Ik had diezelfde angst eerlijk gezegd ook wel. Er bestonden destijds in de Verenigde Staten niet veel opleidingen. Ik kon misschien naar de Juilliard School, maar ik koos voor lessen en projecten tussen mijn colleges door. Het was een kwestie van veel afkijken en nadoen. In het laatste jaar van mijn studie, in 1973, vertelden mijn dansleraren dat er een Duitse mevrouw was, ene Pina Bausch, die dansers zocht. Ik nam een les en deed auditie. Daarna gingen we samen koffiedrinken. Ik dacht, wat is dit voor een mens? Ze `verleidde' me. Ze zei: ik vind dat je talent hebt, maar je bent te jong. Ik was twintig.''

Pina Bausch bood hem een beurs aan voor de Folkwang Schule in Essen. Hij vond het er deprimerend, maar zijn basistechniek werd er opgevijzeld. ,,Mijn talent was een theatraal talent. Dat had Bausch goed in de gaten en het paste natuurlijk bij haar expressionistische werk. Uiteindelijk heb ik acht jaar lang bij haar in Wuppertal gewerkt. Dankzij haar heb ik als `snelle New Yorker' geleerd geduld te hebben om verdieping te bewerkstelligen. En ik laat mensen zichzelf zijn. Dansers roepen wel eens tegen me dat ze meer regie van me willen, maar een stuk ontstaat juist door wat ze zelf bieden. Bausch ging daarin nog veel verder dan ik.''

Minderwaardig

Voordat Rosenfeld bij Pina Bausch aan de slag ging, danste hij in de jaren zeventig korte tijd bij het Scapino Ballet, maar zijn herinneringen daaraan zijn niet overwegend plezierig. Hij vond het een gefrustreerd Nationale Ballet waar je weliswaar getraind werd om sprookjesprins te zijn, maar waar karakterrollen toch als minderwaardig werden beschouwd. ,,Ik vond die karakterrollen juist heerlijk, het acteren lag me. De dans in Nederland was me te abstract. Dans is voor mij een vorm van theater. Ik heb altijd het gevoel gehad daarin alleen te staan. Tegenwoordig heb je wel groepen als het Hans Hof Ensemble, maar de dans in Nederland is over het algemeen nog steeds abstract. Dat maakt het ook vaak zo elitair. De danswereld neemt de dans te serieus en maakt het te heilig. Je ziet ook altijd hetzelfde incrowdpubliek. Als je iets maakt dat danssnobs niet aanspreekt heb je een probleem. De Meekers is er voor snobs, maar ook voor een breder publiek. Ik heb de vrijheid gevonden in de jeugddans. Weliswaar zit je dan meteen in een verdomhoek, maar die vrijheid is me lief.''

Toch is het min of meer toeval dat Arthur Rosenfeld in de jeugddans belandde. Na zijn vertrek bij Pina Bausch kwam hij wederom naar Nederland, ditmaal om met zijn Spaanse liefdes- en danspartner Ana Teixidó samen te werken. Op projectbasis maakten ze groepsstukken maar ook duetten. Hun autobiografische duetten waren deels uit praktische redenen ontstaan: ze konden ze vaak dansen en bovendien speelden ze door de lage kosten quitte. In het Amsterdamse theater de Krakeling speelden ze hun volwassenenduet een keer voor kinderen. Het sloeg aan. Rosenfeld: ,,Ik herinner me dat gevoel nog als de dag van gisteren. Ik had altijd met grote groepen in grote zalen gewerkt waardoor je als danser nooit de gezichten van het publiek kon zien. Voor het eerst zag ik mensen. Die gezichten van kinderen waren zo prachtig. Ik dacht: dat ga ik proberen.''

De eerste jeugdvoorstelling van Teixidó en Rosenfeld, 'n Beschadigd Sprookje, werd een doorslaand succes en het betekende in 1993 het begin van dansgroep de Meekers. Geïnspireerd door het werk van Roald Dahl zette de voorstelling bekende kindersprookjes op hun kop. ,,Eindelijk wordt er op het danstoneel eens niet over de hoofden van kinderen heen gedanst, maar met hun fantasie gespeeld'', schreef Trouw-recensent Eva van Schaik over 'n Beschadigd Sprookje. De jaren erna werden voorstellingen `voor kleine mensen' als Kop eraf, Opblaashelden en Alfabet Soup een begrip. Het leverde Rosenfeld en de Meekers de nodige erkenning en prijzen op, zoals in 1998 de VSCD Choreografieprijs. Kinderen vinden de Meekers geweldig. Een van de reacties op de voorstelling En Toch Beweegt Het – over de hoogtepunten in de wereldgeschiedenis – luidde, in een opstel: ,,Over Egypte vond ik ook heel leuk (dat komt omdat ik ook Egyptisch ben). Vooral toen jullie zo raar gingen lopen naar de overkant.'' Kinderen zien de `fouten' en zeggen net zo eerlijk dat ze het het leukste vonden dat ze er met de bus naar toe gingen en een ijsje kregen. Vanuit een volwassen optiek was En Toch Beweegt Het een van de weinige hoogtepunten van het afgelopen dansseizoen.

Rosenfelds stokpaardje is zijn bekentenis niets met kinderen te hebben. ,,Ik heb geen kinderen, ik ben zelf een kind. Dat is het hoofdzakelijk. Ik hou van mensen, en kinderen zijn mensen. Toen ik besloot voorstellingen voor kinderen te gaan maken ben ik bewust niet naar kindervoorstellingen gaan kijken. En toen ik die choreografieprijs kreeg vroeg ik me ook af of ik eigenlijk wel choreograaf was. Was ik niet meer dan een observator van menselijk gedrag? Ik wil de wereld niet meer veranderen, maar iedereen zou de wereld wel zo moeten zien als ik. Dan wordt het namelijk heel leuk. Ik geloof in het overbrengen van een soort erfgoed – op mijn nachtkastje ligt het boek De geschiedenis van Europa – waarin plaats is voor een individu en gezamenlijkheid. Daar gaan mijn voorstellingen over. In Banana Biz gaat het over de toeristenindustrie. Ik begon met die banaan. Van een maatschappij waarin ze niets anders hadden dan bananen, werd het een onbewoond eiland à la Lord of the Flies. Ik ben eigenlijk een anarchist als de Marx Brothers. Alleen hebben mijn stukken een gelukkig eind.''

Knipogen

De licht cynische en uiterst grappige knipogen in Banana Biz komen tijdens de try-out onder meer naar voren in een scène waarin strandventer Robinson met zijn draagbare Flintstone-chipknipautomaat de zonnebadende toeristen langs gaat: ,,Vriendschap te huur. Vriendschap hier, uw steun en toeverlaat. Vriendschap een hele volle halve minuut voor maar twee keer chippen.'' Danser en acteur Erwin Wauters legt een arm om zijn nieuwe `vriend' en deelt algemeen gedeelde jeugdherinneringen. Bliep en twee chips later is de vriendschap over. De strandventer leurt vervolgens bij alle andere eenzamen op het paradijselijke eiland. Rosenfeld: ,,Misschien heeft mijn humor te maken met mijn joodse afkomst. Ik werd vroeger vaak vergeleken met Woody Allen. Zelfspot is voor mij in het leven een vereiste.'' Toch staat het huilen Rosenfeld soms nader dan het lachen. Jeugddansgroepen hebben de subsidieverplichting om vaak te spelen – zo'n 140 voorstellingen per jaar afgezien van de educatieve projecten – een zware last. Om de Meekers draaiende te houden moet hij commercieel denken (,,spelen kóst ons feitelijk geld'') zonder zijn artistieke integriteit te verliezen. Dat blijft een gevecht. Rosenfeld: ,,In de subsidiepolitiek is het nog steeds zo dat volwassen dansvoorstellingen maar twintig keer hoeven te worden gespeeld. Wij kunnen ons die luxe niet veroorloven. Natuurlijk krijgen wij ook subsidie, maar de overheden moeten wel beslissen of ze jeugddanstheater belangrijk vinden en er geld in willen steken. De situatie is nijpend. Zeker in het politieke klimaat van Rotterdam houd ik mijn hart vast.''

`Banana Biz' gaat op 12 januari in première in de Rotterdamse Schouwburg (aanvang 15.00 uur). Vanaf 6 jaar. Reserveren (010) 4048110. Aansluitend tournee t/m 23/2. Reprisetournee `En Toch Beweegt Het' vanaf 9 maart. Inl: (010) 2449893 of www.meekers.nl

    • Ingrid van Frankenhuyzen