Elk beest zijn kooi

Koningen hielden leeuwen in hun paleizen. Pausen gaven vergulde olifanten cadeau. Later mocht ook het plebs zich laven aan exotische fauna. Dat wordt beschreven in een mooi geïllustreerde geschiedenis van menagerieën.

Toen de olifant Jumbo in 1862 uit de Londense dierentuin Regent's Park werd verkocht aan het Amerikaanse circus Barnum & Bailey's ging er een golf van protest door het land. Jumbo was de mascotte der natie, cultureel erfgoed dat niet zomaar voor geld kon worden verkwanseld aan het buitenland. Jumbo, wisten de kranten, `hield van de Union Jack'. Het ging de Engelsen natuurlijk helemaal niet om het dier zelf, maar om het symbool.

De lotgevallen van Jumbo – op foto's zien we hoe hij in een reusachtige kist worden opgetakeld voor transport, vervolgens hoe hij er bij ligt kort na zijn sterven in Canada in 1865 – zijn exemplarisch voor de opzet van het ambitieuze boek Zoo. Het is de geschiedenis van vijf eeuwen dierentuinen in de westerse wereld, maar meer nog, en dat maakt het zo interessant, is het een mentaliteitsgeschiedenis. Het gaat over de veranderende verhouding tussen mens en dier en dus over de mens en zijn natuurlijke, `wilde' omgeving. `To tour the cages of a zoo is to understand the society that erected them', aldus de schrijvers.

Zoo is de Engelse vertaling van een van oorsprong Frans boek uit 1998 van een historicus en een kunsthistorica die aan de universiteit van Lyon zijn verbonden. Dankzij de fraaie vormgeving en de verrukkelijke illustraties is het een genot om naar te kijken; het zit vol met historische afbeeldingen, kunstwerken en hedendaagse fotografie met scherpe en invoelende waarnemingen. De boeiende tekst was gebaat geweest bij een eindredactie die de over hun eigen enthousiasme en kennis heen buitelende auteurs tegen zichzelf had weten te beschermen. En een boek met zo'n overstelpende hoeveelheid namen, plaatsen, data, anekdotes en zo'n uitgebreid notenapparaat had een even serieuze index verdiend. Maar het leesplezier is evenwel groot.

Al in de zestiende en zeventiende eeuw hielden koningen en aristocraten dieren die hun aanzien vergrootten. De Medici's hadden in Florence een dierenverzameling en aan het voeteneinde van het bed van de Franse koning François I lag regelmatig een leeuw of een sneeuwluipaard. In 1514 maakte de ambassadeur van de koning van Portugal zijn entree in Rome op de vergulde olifant Hanno, een geschenk aan de paus – helaas is Hanno twee jaar later gestikt doordat hij voor iedere parade werd verguld. Bovendien werden de hovelingen en hooggeplaatste gasten vermaakt met bloedige gevechten, waarvoor de vorsten speciale arena's met het toenmalige equivalent van skyboxen lieten bouwen.

Dankzij de ontdekkingsreizen van die tijd en de wijdverbreide handelsnetswerken die daaruit voortkwamen groeide de toestroom van exotische dieren naar het Westen. De VOC maakte Amsterdam tot `de draaideur van Europa'. In deze handel gingen kolossale bedragen om: de auteurs hebben nagerekend dat de neushoorn die de Compagnie des Indes ophaalde voor Lodewijk XV in 1770, evenveel kostte als viereneenhalf jaar salaris van een scheepskapitein. De aantallen werden steeds groter: tussen 1866 en 1886 verhandelde de Duitse handelaar en leeuwentemmer Carl Hagenbeck zevenhonderd luipaarden, duizend leeuwen, vierhonderd tijgers, duizend beren, achthonderd hyena's, driehonderd olifanten, tachtig neushoorns, driehonderd kamelen, zeshonderd antilopen en duizenden krokodillen, apen, pythons en vogels.

Versailles

Veel dieren haalden Europa niet eens. Of ze werden gedood bij de poging ze te vangen, of ze stierven tijdens de lange bootreis onder afschuwelijke omstandigheden – een olifant uit India was in 1824 al gauw zes maanden onderweg naar Parijs. Toch bereikte in 1640 voor het eerst een orang oetan Nederland, gevolgd door de eerste krokodillen in Frankrijk, zebra's in Portugal, lama's in Potsdam en kangaroe's in Engeland. Hoe lang ze daarna nog te leven hadden, was de vraag: Baratay en Hardouin voeren schrikbare statistieken aan over de hoge sterftecijfers in dierentuinen, tot in de twintigste eeuw toe. Pas in de negentiende eeuw ontstond hiertegen protest.

Werden in de vroegere koninklijke menagerieën de dieren lukraak door elkaar gezet daar waar plek was – hokken, kuilen, de tuinen, de binnenplaats, zelfs kamers en gangen van de paleizen – vanaf midden zeventiende eeuw kwam daar enige ordening in, volgens de auteurs een prille poging tot systematische classificatie van het dierenrijk. Voorloper was de Franse koning Lodewijk XIV, die in 1662 op Versailles een menagerie inrichtte. Die was een belangrijk onderdeel van de theatervoorstellingen die hij met complexe decors in de tuinen liet opvoeren. De dieren van Versailles die de Revolutie overleefden, werden overgebracht naar de Jardin des Plantes in Parijs, voorheen de Jardin du Roi.

In een tijd van opkomend nationalisme en verlangen naar democratie waren dierentuinen welkome symbolen van het nut tot het algemeen, bovendien waren ze net als musea en theaters wapens in de concurrentiestrijd met andere landen. Begin negentiende eeuw werden overal in Europa dierentuinen gesticht, vaak met kapitaal uit donaties en lidmaatschappen van de lokale elite, of uit de uitgifte van aandelen. De dierentuin was nog altijd niet voor het plebs: het zou nog tot begin twintigste eeuw duren voordat de deftige dames en heren, door geldgebrek gedwongen, het volk lieten meegenieten van deze lusthoven. Dierentuinen kregen een nieuwe rol als vermaak en volksverheffing; in 1905 kocht Düsseldorf de noodlijdende dierentuin van de particuliere oprichters om de jeugd een alternatief voor de kroeg te bieden. Om elke elitaire zweem te vermijden, veranderde de burgemeester van Marseilles in 1924 de naam van de olifant van het snobistisch klinkend `Frazor' in `Poupoule'.

De vraag naar een uitje nam ook steeds toe, want steeds meer mensen in het westen kregen meer vrije tijd in de vorm van het tweedaagse weekend en betaalde vakanties. De levensstandaard werd hoger en in de jaren vijftig en zestig konden meer mensen zich een auto veroorloven. Voor het eerst moesten dierentuinen zich rekenschap gaan geven van de publieke opinie en de smaak en voorkeuren van bezoekers die niets over dieren wisten en alleen voor de attractie kwamen. De dierentuin ging minder op een theater lijken en meer op een pretpark. Het vrome idee dat bezoekers er zo veel van leren, schuiven de auteurs terzijde als argument waarmee de dierentuinen hun bestaan proberen te rechtvaardigen.

Fokprogramma`s

Terecht besteedt Zoo veel aandacht aan deze democratisering, die niet minder was dan een machtsverschuiving waarbij de dierentuin volgens hen klem kwam te zitten tussen commercie – het publiek dat natuur komt `consumeren' en vermaakt wil worden met aapjes kijken – en wetenschap. In de westerse wereld blijft deze attractie onverminderd populair, met bezoekersaantallen die van vier miljoen in 1900 zijn gegroeid naar 150 miljoen in 1990. Toch wordt het volgens de auteurs steeds moeilijker te rechtvaardigen dat dieren in gevangenschap worden gehouden. Hoe esthetisch de hokken ook zijn, hoe treffend de leefomgeving van de dieren is nagemaakt – voor het dier blijft het gevangenschap.

Sterker nog, omwille van het eigen voortbestaan overdrijven dierentuinen hun wetenschappelijke betekenis schromelijk, vinden Baratay en Hardouin. Gedrag bijvoorbeeld kun je er nauwelijks bestuderen omdat het door gevangenschap verandert, evenals het fysieke gestel (bijvoorbeeld van vogels die geen ruimte hebben om te vliegen). Fokprogramma's hebben naar hun mening weinig waarde omdat het gefokte dier anders is dan een dier dat in het wild leeft. Als je die dan weer terug wilt zetten in hun natuurlijke omgeving redden ze het niet – of weigeren ze gewoon te vertrekken, zoals Willy de orka. Wie dieren een warm hart toedraagt, doet er veel beter aan zich in te spannen voor het behoud van hun oorspronkelijke leefomgeving, inclusief de dieren die daar in het wild leven. Niet voor niets hebben ze op de stofomslag een foto geplaatst van een lege kooi.

Voorlopig leven er nog miljoenen dieren in kooien, en meten dierentuinen hun status af aan het succes van hun fokprogramma's. De leefomstandigheden zijn ontegenzeggelijk in de loop van de tijd verbeterd: zie het safari park in Burgers Bush in Arnhem, of de kilometerslange ren waar de cheetah in de San Diego Zoo als een speer doorheen gaat. Dat het soms moeilijk is weer te wennen in het wild, begrijp je als de zeeleeuwen in het Oceanium van Blijdorp in Rotterdam ziet: hun bassin is voorzien van een strandje met vloerverwarming.

Eric Baratay en Elisabeth Hardouin-Fugier: Zoo, A History of Zoological Gardens in the West. Reaktion Books, 400 blz. €54,99

    • Tracy Metz