Een bruut uit de Burgeroorlog

Jesse James voerde in het Amerika van de negentiende eeuw oorlog, beroofde banken en treinen, en werd daarmee een volksheld. Zijn roem als Robin Hood of `sociale bandiet' die stal van de rijken en gaf aan de armen, wordt anderhalve eeuw later nog steeds bezongen in liedjes en literatuur. The Pogues bejubelden hem nog op hun plaat Rum, Sodomy and the Lash (1985): `He stole from the rich/ and gave to the poor/ He had a hand and a heart/ and a brain.'

Een serieuze wetenschappelijke biografie bleef helaas uit, zodat feit en fictie over James maar moeilijk te scheiden waren. T.J. Stiles, historicus, heeft met Last Rebel of the Civil War nu een imponerende en vernieuwende biografie geschreven van James, die evenzeer inzicht biedt in zijn gewelddadige leven als in het Amerika van de negentiende eeuw dat hem voortbracht. De verscheurende politieke kwesties in zijn geboortestaat Missouri over slavernij en de autonomie van de zuidelijke staten komen aan bod, maar ook wetenswaardigheden over landbouw en handel, het leven van slaven en veel meer.

Relevant voor een goed begrip van James' overvallen op banken en treinen (niet op de spoorwegen: de gedupeerden waren particuliere bedrijven voor waardetransport) is bijvoorbeeld de invoering van gestandaardiseerd papiergeld (niet meer inwisselbaar tegen goud) in 1861, met een bijbehorend systeem van nationale banken. Banken op het platteland brachten een groot deel van hun papiergeld naar de grote steden om te beleggen, wat leidde tot een onophoudelijk transport van papiergeld, dat door Jesse James voor criminele winsten werd aangeboord. De opbrengst van zijn overvallen liep uiteen van 60.000 dollar tot een kleine duizend dollar, nog altijd genoeg om een boerderij van te kopen. Hoeveel mensen Jesse James, herkenbaar aan zijn heldere blauwe ogen, bij zijn acties doodschoot is onbekend, maar dat hij er weinig moeite mee had, staat vast. Stiles wijst hem aan als de executeur van een bankemployé die met stille obstructie het succes van een overval had gefrustreerd.

Het boek van Stiles staat mijlenver van het romantische beeld dat de populaire cultuur koestert van outlaws als James, die ook een satirische rol als quasi-Robin Hood kreeg in de Franse stripserie Lucky Luke. Zoals andere goede revisionistische historici (onder meer Francis Jennings over koloniaal Amerika, en Richard White en Patricia Nelson Limerick over het `wilde' Westen) wantrouwt Stiles alle clichés die zijn hoofdpersoon simpeler voorstellen dan hij was, en heeft hij een scherp oog voor de economische, sociale en politieke context van diens handelen. Jesse James was niet de nobele berover van rijken die de pers van hem maakte (vaak op basis van brieven en persberichten die hij zelf verstuurde) en ook geen vrijbuiter uit de traditie van de frontier. Met die frontier, bakermat van Billy the Kid en andere legendarische criminelen, had hij zelfs niets te maken. Hij was geen man van het Westen, maar van het slavenhoudende Zuiden dat brak met de Unie en een traumatische nederlaag leed in de Burgeroorlog (1861-1865).

Met zijn broer Frank maakte de jonge Jesse naam als guerrillero voor de slavenhouderspartij in Missouri – een brute loopbaan die in zijn mengeling van politiek, misdaad en sadisme doet denken aan die van etnische krijgsheren in Bosnië of Kosovo. Zijn loopbaan als overvaller van banken en treinen (James krijgt de eer in Amerika als eerste een bankoverval bij daglicht te hebben gepleegd) was een voortzetting van die intense oorlog met andere middelen. De Burgeroorlog leidde tot een hausse in misdaad, door de stroom van handvuurwapens die het land met dank aan de firma Colt overspoelde en de toevloed van jonge mannen die wisten hoe ze ermee moesten omgaan. De typisch Amerikaanse gun culture is geen product van westelijke expansie, maar van de Burgeroorlog. Voortdurend speelden daarbij voor James politieke, ideologische en militaire loyaliteiten een rol. Aan de lunch voorafgaand aan hun meest grandioze mislukking, de bankoverval in Northfield (Minnesota) in 1876, ging het gesprek onder de bankovervallers over één ding: politiek. Ook de keuze van het doelwit was politiek: in Northfield had een bekende abolitionistische ex-gouverneur van Mississippi zijn kapitaal belegd.

Stiles maakt duidelijk hoe het zuiden, waar Jesse James opgroeide als zoon van een baptistenprediker, al kolkte van politieke emoties over slavernij in de oude staten en de uitbreiding daarvan naar nieuwe territoria in het Westen, zoals Kansas waar al vóór 1861 een `vuile oorlog' werd gevoerd. Nadat zijn vader was overleden, groeide Jesse op met zijn moeder, stiefvader, broer en zes of zeven slaven op een betrekkelijk welvarende familieboerderij. Het was geen luxe, maar zoals veel guerrillero's uit het Zuiden kwam hij evenmin uit de armste bevolkingslaag. In de oorlog voegde hij zich bij twee van de beruchtste commandanten van zuidelijke guerrilla's oftewel bushwhackers, William Quantrill en `Bloody' Bill Anderson. De laatste was een psychopaat die zijn mannen burgers en gevangenen liet martelen en scalperen. Jesse was present toen een groep ongewapende noordelijke soldaten door Andersons mannen werden vermoord in Centralia, een bloedbad dat in meedogenloosheid nauwelijks zijn weerga kende. Het was volgens Stiles, die de suggestie afwijst dat James in de oorlog getraumatiseerd zou zijn geraakt, de zoveelste fase in zijn brutalisering: de overtuiging dat elke mate van geweld is toegestaan tegen de vijand.

Ook na de oorlog bleef Missouri een gepolitiseerde staat. De periode van Reconstructie, door Washington opgelegde hervormingen om heropname in de Unie mogelijk te maken, verdeelde de bewoners opnieuw langs politieke en etnische lijnen. James werd nu een bandiet, die met zijn overvallen en roofmoorden, gesteund door een met het Zuiden sympathiserende pers, ook een strategisch doel diende, namelijk Missouri blijvend wegdrijven van het noorden.

Latere historici, zoals de marxist Eric Hobsbawm, hebben daarom van Jesse James een social bandit gemaakt: een bandiet die opkwam voor de onderdrukte lagere boerenklasse, tegen het oprukkende grootkapitaal uit het noorden. Stiles wijst die lezing volstrekt van de hand. Het zuiden had geen klasse van autarkische of horige boeren, zoals Europa: de familie-boerderijen van Missouri waren allang opgenomen in een commercieel netwerk. Loyaliteiten uit de oorlog en de politiek van de afscheiding waren voor James veel belangrijker dan klassebesef of economisch protest.

Zijn kracht was volgens Stiles niet dat hij de boerengemeenschap verenigde tegen een collectieve vijand, maar juist dat hij die verdeelde: James vocht niet tegen `de' banken, of `de' spoorwegen, maar tegen zijn buren, mede-Missourians die met het abolitionistische en modernistische noorden sympathiseerden. In veel opzichten, concludeert Stiles, was Jesse James daarom een voorloper van de moderne terrorist. Dat woord is onder aanhangers van de mythe van Jesse James hard aangekomen na de publicatie van Stiles' boek, maar er valt op basis van zijn voorbeeldige onderzoek bitter weinig tegen in te brengen. Waarom zou dat ook moeten? Het idee van `nobele' misdaad is een idée fixe, een opvolger van het thema van de `nobele wilde', waarachter vaak ook ideologie en politiek schuilgaan.

Jesse James kwam aan zijn einde op 8 november 1882, allang over het hoogtepunt van zijn roem en twee maanden na zijn laatste treinoverval, toen hij thuis het stof van een schilderijtje stond te vegen met de rug naar de deur. Hij werd in het hoofd geschoten door een bendelid dat uit was op de beloning van tienduizend dollar die voor hem was uitgeloofd, levend of dood. Die keus was niet moeilijk, met of zonder politiek.

T.J. Stiles: Jesse James. Last Rebel of the Civil War. Knopf, 520 blz, €37,99

    • Sjoerd de Jong