De waarheid gedijt hier niet

Wanneer een Italiaan die je amper kent, je op het hart drukt dat je een keer langs moet komen en je staat de volgende dag bij hem voor de deur, dan zal hij onaangenaam verrast zijn. Hij heeft die uitnodiging immers bij wijze van spreken bedoeld. Deze indirecte benadering van de werkelijkheid is vooral op het eiland Sicilië tot kunst verheven. Dit heeft mede te maken met de omstandigheid dat men hier vaak iets te verbergen heeft of getuige is geweest van iets dat het daglicht niet kan velen. De waarheid moet omzeild worden en bijgevolg neemt men zijn toevlucht tot het verzinnen van verhalen, tot een ongegeneerd fabuleren. De Siciliaanse manier van denken en redeneren vormt een ware Fundgrube voor iemand die uit hoofde van zijn beroep fictie bedrijft. Dat geldt met name voor schrijvers die de Siciliaanse werkelijkheid als uitgangspunt nemen en bovendien de speurdersroman als genre omarmen, en dus verhalen vertellen waarbij de waarheid boven tafel moet komen.

Zo'n schrijver is Andrea Camilleri, die met zijn boeken rond de knorrige commissaris Montalbano al jarenlang de bestsellerlijsten in Italië domineert. In Nederland wordt Camilleri's werk door twee uitgeverijen gepubliceerd: de policiers met Montalbano verschijnen bij Serena Libri, zijn historische misdaadromans komen uit bij De Geus. In beide gevallen is de plaats van handeling het fictieve plaatsje Vigáta, maar in boeken als Het jachtseizoen en het onlangs vertaalde De Siciliaanse opera is de tijdsbedding de 19de eeuw en speelt het speurderselement een beduidend geringere rol. Waar Camilleri met Het jachtseizoen niet meer dan een melig en volstrekt onbenullig sprookje met een vleugje Boccaccio wist te produceren, daar revancheert hij zich met de niet minder kluchtige maar veel gelaagdere roman De Siciliaanse opera.

Uitgangspunt van het boek is de historisch vastgelegde controverse tussen de burgerij van een Siciliaans stadje en een Florentijnse prefect, die zijn hoogtepunt bereikte toen die laatste tegen de wens van de plaatselijke autoriteiten verordende dat een nieuwe schouwburg moest worden ingewijd met de opvoering van een inferieure opera, De bierbrouwer van Preston. Rond dat gegeven knoopt Camilleri met zichtbaar plezier en bedrieglijk gemak een vlechtwerk van incidenten, amusante verwikkelingen, melodrama's en misstanden.

Ook de traditioneel Siciliaanse ingrediënten ontbreken niet: afpersing, aanbestedingen, vriendjespolitiek, afrekeningen, al dan niet onopzettelijke persoonsverwisselingen, complotten en mysterieuze verdwijningen. Dit alles geschraagd en in gang gezet door een bonte stoet personages: de Duitse uitvinder van een brandblusmachine, een wellustige weduwe, een dronken rector, een geile pastoor, een musicerende timmerman, samenzwerende republikeinen, allerlei eerzame heren (commandeurs, cavalieri en markiezen), een handvol hoorndragers, een rechtschapen commissaris, een in afpersingen en manipulaties bedreven heerschap (Don Memè) en een stijfhoofdige Florentijnse prefect.

Die laatste twee zetten alles in het werk om de inwoners van Vigáta de pas gebouwde schouwburg in te jagen, alwaar men op een decemberavond van het jaar 1874 eer moet betonen aan een opera van de derderangs componist Luigi Ricci. Hiermee riskeert het gehate duo echter een volksoproer, want de Vigatezers koesteren een gezonde dosis wantrouwen tegen elk initiatief van de jonge staat Italië, zeker wanneer die vertegenwoordigd wordt door een niet-Siciliaan die meent de plaatselijke bevolking de nodige beschaving bij te moeten brengen.

Niettegenstaande alle negatieve adviezen en kwaadwillige praatjes die de prefect krijgt te verwerken, wordt zijn wens werkelijkheid, met alle koddige en fatale gevolgen van dien. Vanwege een keten van misverstanden ontstaan er verrukkelijk chaotische taferelen in en buiten de schouwburg, die uitmonden in een ware veldslag tussen de militie en het publiek. Twee uur na afloop van deze explosieve uiting van anarchie blijkt het nieuwe theater echter in brand te staan. Er vallen doden, de politie gaat zich ermee bemoeien, de sfeer wordt grimmiger.

De chronologie van deze geschiedenis wordt door Camilleri danig door elkaar geschud; de hoofdstukken sluiten niet op elkaar aan en lijken willekeurig te zijn gerangschikt, wat de vertelling een bijzondere dynamiek geeft. De verteltoon varieert van uiterst onopgesmukt en direct (afgezien van de in normaal Nederlands vertaalde sappige dialectismen een hoog percentage `reet', `stront' en `eikel') tot hol retorisch (de taal van de autoriteiten). Met name in het begin is de beeldspraak soms te flauw voor woorden (een penis is een `boegspriet', een anus een `kielgat') en hoor je de auteur iets te vaak tussen de regels door grinniken. Maar naar het einde toe, als de lineariteit van de vertelling min of meer hersteld wordt, krijgt het verhaal meer urgentie. Het oude Siciliaanse liedje begint te klinken: de schuldige wordt niet gepakt omdat de overheid medeplichtig blijkt, omdat er op de juiste momenten wordt gezwegen en geklikt, omdat de waarheid op Sicilië niet wil gedijen.

Toch lijkt Camilleri niet van zins in de voetsporen van zijn vermaarde voorganger Sciascia te willen treden, die zijn pessimisme omtrent de morele gezondheid van het eiland niet verhulde. Gerechtigheid zal geschieden, ook al is het pad daarheen bepaald onconventioneel. Maar ook deze veronderstelling blijkt slechts ten dele te kloppen: in het laatste hoofdstuk wordt de hele geschiedenis weer op zijn kop gezet en met verve geretoucheerd – een bijzonder bitter toetje van het feestelijke banket dat Camilleri zijn lezers voorzet.

Andrea Camilleri: De Siciliaanse opera. Vertaald door Manon Smits.

De Geus, 284 blz. €22,50

    • Peter Drehmanns