De VU hield de rug recht

De studenten, professoren en andere personeelsleden van de Vrije Universiteit vormden aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog een homogene gemeenschap. Dat hing samen met de geringe omvang van de VU, die slechts 639 studenten en 33 professoren, lectoren en privaatdocenten telde. Veel belangrijker was dat het overgrote deel van hen gereformeerd was. De professoren bekleedden in de gereformeerde wereld leidende functies, in de politiek, maar vooral ook in de kerk en hadden daardoor moreel gezag.

Dat betekende vanzelfsprekend niet dat iedereen het in alles eens was. Ook de VU kende een collaborerende hoogleraar en enkele anderen die weliswaar geen nationaal-socialist waren, maar die sinds het Engelse optreden in de Boerenoorlog zeer pro-Duits waren. Daar stond tegenover dat sommige gezaghebbende professoren zich al vroeg in de jaren dertig in het fascisme en nationaal-socialisme hadden verdiept en beide stelsels op principiële gronden hadden afgewezen. De synode had bovendien in 1936 uitgesproken dat er in de gereformeerde kerk geen plaats was voor nationaal-socialisten.

In zijn met veel medeleven geschreven boek laat Zondergeld zien dat deze gemeenschap aan de hand van twee onverzettelijke rectores magnifici stelling kon en durfde nemen tegen de Duitse bezetter en zijn Nederlandse handlangers. Beiden moesten dat met hun leven bekopen. V.H. Rutgers overleed in Duitse gevangenschap. De doortastende Jacobus Oranje, die er niet voor terugschrok om met een gefingeerde opdracht van een Nederlandse metaalfabriek in 1944 naar Duitsland te reizen en in Berlijn, Stettin en elders in de arbeidsinzet werkende studenten een hart onder de riem te steken, ondermijnde met zijn verzetsactiviteiten zijn gezondheid en overleed al in 1946.

Uitgerekend in het voor het universitaire leven zo cruciale jaar 1942-'43 had de VU een weifelachtiger rector. Maar ook toen bleef de universiteit principieel en sloot. Helaas gaat Zondergeld er wat gemakkelijk aan voorbij dat de VU dit in tegenstelling tot de openbare en rijksuniversiteiten zelf kón doen. Daarentegen meet hij het vele en belangrijke verzetswerk van de universitaire gemeenschap, inclusief dat van alumni en familieleden van VU-prominenten, breed uit. En ook die zwarte bladzijde in het gereformeerde oorlogsverleden, de kerkscheuring van 1944, komt aan de orde. Op één punt maakt Zondergeld de geschiedenis echter mooier dan zij was. In het voorjaar van 1943 werd van de studenten geëist dat zij door het tekenen van de zogeheten loyaliteitsverklaring verklaarden zich als loyale burgers te zullen gedragen. Aan de VU tekenden 36 studenten, volgens Zondergeld kwam dat neer op 1,1 procent. Dit percentage is echter te laag, al was de VU door de komst van vele studenten uit Leiden en de Universiteit van Amsterdam enorm gegroeid, (in het cursusjaar 1942/43 tot 1208). Bovendien had volgens Zondergeld ook de groep van zeventig studenten die na razzia's op studenten in Vught gevangen had gezeten bij hun vrijlating de verklaring getekend. Als dit zou kloppen, zou dit het totaal op 106 tekenaars brengen, oftewel 8,7 procent. Vergeleken met de andere universiteiten was ook dit een laag percentage en een resultaat om trots op te zijn.

Gjalt Zondergeld: Geen duimbreed?! De Vrije Universiteit tijdens de Duitse bezetting. Meinema, 295 blz. €18,–

    • P.J. Knegtmans