De dromen van een geldhandelaar

Gedwongen door de Sovjetcensuur maakte de symbolistische schrijver Der Nister in de jaren dertig de overstap naar een realisme waarin hij zijn oude literaire idealen alleen nog in de dromen van zijn figuren kwijt kon. Het baatte uiteindelijk niet: nog voor de verschijning van het derde deel van zijn Grote Jiddische Roman werd hij vermoord als vijand van het volk.

Op een mooie ochtend in de jaren zeventig van de negentiende eeuw begeeft de rijke geldhandelaar Moisje Masjber zich naar de joodse begraafplaats in de Russische stad N. om een graf voor zichzelf uit te zoeken. Tot verbazing van zijn familie, want Moisje is kerngezond. Hij is een steunpilaar van de joodse gemeenschap in de stad, en van zijn eigen familie. Die bestaat uit zijn vrouw, zijn twee dochters met hun echtgenoten en kinderen, zijn epileptische broer Alter en zijn gerespecteerde, geliefde broer Loezi. Moisje heeft kortgeleden twee nare dromen gehad. In beide dromen werd Moisje de dood aangezegd, in een ervan verscheen bovendien Loezi als tovenaar en maanaanbidder. Op de begraafplaats kiest hij een mooi graf uit, op zichzelf geen treurige gebeurtenis, die dan ook diezelfde avond bezegeld wordt met een feestmaal bij hem thuis. Maar voor de lezer van het bijna 800 bladzijden tellende familie-epos waarvan Moisje de hoofdpersoon vormt, is het inmiddels duidelijk dat er iets gaat veranderen in het tot dan toe vrij onbezorgde leven van Moisje en zijn familie.

De familie Masjber van Der Nister (Pinchas Kahanovitsj) is het tiende deel van de Jiddische Bibliotheek van Vassallucci, en past op het eerste gezicht in de traditie van eerdere boeken in deze reeks, met werk van Mendele Moicher Sforim, J.L. Peretz en Sjolom Alejchem. Die vertellen op ironische en humoristische manier over traditioneel levende Oost-Europese joden in de negentiende eeuw. Het verschil is dat Der Nister zijn boek pas schreef in 1939.

Het pseudoniem van Pinchas Kahanovitsj (1884-1950) betekent `de verscholene', en dat bleek een passende naam, want hij liet zijn leven lang weinig over zichzelf los. Hij werd geboren in Berditsjev – toen Russisch, tegenwoordig Oekraïens – dat later als de stad N. het toneel van De familie Masjber zou vormen, en kreeg een traditioneel joodse opvoeding. Zijn oudste broer werd een volgeling van de chassidische sekteleider Nachman van Bratslav, door wiens parabels vol symboliek ook Pinchas zich aangetrokken voelde. Daarnaast las Der Nister eigentijdse Russische literatuur.

Als veel joodse schrijvers van zijn generatie wilde hij zich losmaken van, zoals vertaalster Willy Brill het noemt, de `sjtetlfolklore' van de negentiende-eeuwse Jiddische schrijvers. Maar afstand doen van het joodse erfgoed, waaronder de Jiddische taal, was geen optie. Zo kwam hij uit bij het symbolisme, wat enerzijds aansloot bij de literaire mode van de vroege twintigste eeuw en anderzijds bij de verhalen van Nachman van Bratslav. In 1907 kwam Der Nisters eerste boek uit. Het is een bundel prozaliederen, Gedankn oen motivn. Zijn vroege werk doet denken aan dat van de Litouwse, later Israëlische schrijver en dichter Avraham Sutzkever, wiens Groen aquarium & Dagboek van de Messias ook verschenen is in de Jiddische Bibliotheek. Het is niet bekend of ze elkaars boeken kenden. Wel waren ze allebei bevriend met Marc Chagall, die ook illustraties maakte bij beider werk.

In 1908 sloot Der Nister zich aan bij een groep geestverwanten, de schrijverskring Ejgns (Het eigene) in Kiev. Zij wilden de joodse waarden en de Jiddische taal verbinden met een universele cultuur van de toekomst. De Russische Revolutie in 1917 werd door joodse intellectuelen aanvankelijk enthousiast ontvangen. Anti-joodse wetten werden opgeheven en Jiddisch werd een officiële taal. Aanvankelijk werden minderheden aangemoedigd uiting te geven aan hun eigen cultuur, lang duurde dat niet. Al snel moesten alle kunstuitingen voldoen aan de eisen van het socialistisch realisme. Het werk van Der Nister viel niet in de smaak bij de sovjetcensuur: raadselachtige verhalen over dieren en fantasiefiguren in allegorische landschappen, wat moest een proletariër daarmee?

Net als veel van zijn joodse collega's vertrok Der Nister naar Duitsland, waar hij enkele verhalenbundels publiceerde. Maar hij kon er niet aarden en keerde in 1926 terug naar de Sovjet-Unie. Daar was de kritiek op zijn werk alleen maar heviger geworden. In 1929 wist hij zowaar nog een symbolistische verhalenbundel door de censuur te krijgen, maar daarna gaf hij het op.

Om in leven te blijven schreef hij literatuurkritieken, maar intussen zon hij op een nieuwe, realistische vorm van schrijven, die zowel aan zijn eigen eisen als aan die van de censuur tegemoet zou komen. Het viel hem zwaar. Aan zijn jongste broer schreef hij: `Het is geen kwestie van techniek, je moet opnieuw geboren worden, je moet je ziel van binnen naar buiten keren.' Toch lukte het hem, en beter dan wie ook. Zijn collega's – Dovid Bergelson, Perets Markisj en Moisje Koelbak, om er enkele te noemen – zaten in hetzelfde schuitje. Sommigen losten het op door het socialistisch realisme enthousiast te omarmen, anderen emigreerden, stopten met schrijven of schreven poëzie waarin ze tussen de regels door voorzichtige kritiek uitten. Maar niemand heeft zo'n grote ommezwaai in stijl gemaakt – van symbolisme naar realisme – en is tegelijkertijd zo geloofwaardig gebleven als Der Nister.

In 1939 verscheen in Moskou het eerste deel van de familiekroniek Di misjpooche Masjber (dat eigenlijk `De familie Crisis' betekent). In het voorwoord verklaart de auteur: `Al schrijvend heb ik mij aan de eisen van het kunstzinnig realisme gehouden, met andere woorden aan het befaamde gebod van Goethe: ,,Kunstenaar, schilder en zwijg'.' Inderdaad spreekt de verteller zelden een expliciet oordeel uit over zijn personages, van welke maatschappelijke klasse dan ook. Om geen misverstand te laten bestaan over zijn goede bedoelingen voegt hij eraan toe: `Het hoofddoel van dit boek is de verborgen krachten aan te tonen van hen die ten diepste vernederd in de ,,Derde Zone' [de arme buurt van de stad N.] leefden en die onder de last van hun levensjuk zo tragisch ten onder gingen. Daarmee bedoel ik de schuchtere bliksemflitsen die bij tijd en wijle aan de verre horizon opflakkeren [...] om met knallend en oorverdovend geraas te bewijzen dat er – zo niet vandaag, dan morgen of overmorgen – iets op komst is achter de horizon.'

Dat was de taal die de sovjetcensor graag wilde horen. Helaas heeft het Der Nister weinig geholpen. Het eerste deel van de roman werd nog gunstig ontvangen in de bolsjewistische pers, eindelijk had Der Nister een goede socialistisch-realistische roman geschrveven. Critici in het buitenland waren juist blij dat hij de weg naar de klassieke Jiddische literatuur had teruggevonden. Het tweede deel, dat hij begin jaren veertig voltooide, is echter, op een paar fragmenten in tijdschriften na, niet in de Sovjet-Unie gepubliceerd. Het verscheen pas in 1948 in New York. In hetzelfde jaar werd hij gearresteerd. Op 4 juni 1950 stierf hij in de Moskouse Loebjankagevangenis. Net als vrijwel al zijn in het Jiddisch schrijvende collega's en tal van andere joodse kunstenaars en intellectuelen werd Der Nister in de nadagen van Stalins bewind vermoord als vijand van het volk.

Kan een boek dat zo nadrukkelijk probeert iedereen te vriend te houden wel een goed boek zijn? Ja, dat kan. In de eerste plaats doordat de verteller niet oordeelt, maar, als een koele buitenstaander, registreert. Hij laat de personages in hun waarde en laat hen `hun voorbestemde gang [...] gaan, die historisch onontkoombaar hun laatste zou zijn – de ondergang.' Der Nister schrijft over een voorbije joodse wereld, zo verkondigt hij, om vooruit te kunnen wijzen naar de stralende toekomst van het communisme. Maar gelukkig is daar verder weinig van te merken.

De familie Masjber is echter vooral zo'n goed boek omdat Der Nister weet hoe hij een verhaal moet vertellen. Een verhaal over de ondergang van de familie Masjber, maar nog meer een verhaal over de stad N., oftewel Berditsjev, die in de jaren zeventig van de negentiende eeuw voor tachtig procent uit joden bestond, een handelsstad, waar boeren en verarmde adel uit de omgeving hun waren komen verkopen. Daar is geld voor nodig, en een van de grootste geldhandelaren is Moisje Masjber. Het eerste hoofdstuk is echter niet aan hem gewijd, maar aan de stad.

In het midden van de stad N. ligt de markt. Overdag is het een drukte van belang, die in al zijn kleurigheid en lawaaierigheid beschreven wordt. Maar 's nachts, voegt Der Nister eraan toe, kan iemand door een diepe treurigheid bevangen worden: `Hij zal beseffen dat de stoeptreden waarop de nachtwakers zijn gezeten, rouwbanken zijn'. Dergelijke onheilspellende visioenen keren met enige regelmaat terug. In de tegenstelling tussen licht en donker, tussen leven en dood, is – net als in de beschrijving van dromen en visioenen – het vroegere symbolisme van Der Nister terug te vinden. Het is verleidelijk om hierin een vooruitwijzing te zien naar het lot van de joden in de Tweede Wereldoorlog, of misschien voorvoelde Der Nister al iets van Stalins plannen. Maar de officiële verklaring zal wel zijn dat hij zinspeelt op het verdwijnen van de oude, kapitalistische maatschappij.

Pas in het tweede hoofdstuk maken we kennis met de familie Masjber. Tijdens Moisje's feestmaal komt plotseling Loezi binnenwandelen. Hij wil zich in N. aansluiten bij de plaatselijke Bratslaver chassidiem. De handelsman Moisje kan niet begrijpen wat Loezi ziet in de ketterse Bratslavers, meestal eenvoudige mensen, die alles met elkaar delen en doorgaans in grote armoede leven, omdat ze door hun religieuze ijver geen tijd meer hebben om te werken. Niet dat Moisje vijandig staat tegenover religieuze verdieping, maar dit gaat hem te ver. Er ontstaat verwijdering tussen de broers.

Tegelijkertijd kunnen door het mislukken van de oogst Moisje's cliënten niet meer aan hun verplichtingen voldoen en begint zijn imperium te wankelen. Binnen een jaar verandert Moisje van een succesvol zakenman in een wrak en belandt hij zelfs in de gevangenis. Ook zijn familie dreigt uiteen te vallen. Zijn schoonzoon rebelleert, zijn jongste dochter wordt ziek en overlijdt, zijn vrouw raakt van ellende in coma en sterft later, en ten slotte gaat ook Moisje zelf dood. Met Loezi heeft hij zich dan allang weer verzoend. In feite is de neergang van de familie het minst interessante aspect van de roman. Moisje's ondergang wordt vooral veroorzaakt door de economische crisis en nauwelijks door de onenigheid met zijn broer Loezi.

Interessanter zijn de lotgevallen van Loezi én van de veel jongere broer Alter. Deze woont op een zolderkamertje bij Moisje in huis, waar hij brieven aan God schrijft. Hij is half onnozel, half geniaal. Maar na een zware epileptische aanval lijkt hij opeens normaler te worden. Ook zijn seksuele gevoelens ontluiken. Alter, een vrome jongen, weet zich met zijn gevoelens geen raad. Zijn familie besluit hem uit te huwelijken. Maar aan wie? De oplossing: Gnesje, het dienstmeisje. Het arme kind, dat tot nu toe flirtte met slagersjongens, weet niet wat haar overkomt. De manier waarop Der Nister de erotische verwarring van het toekomstige echtpaar toont, plaatst de roman op eenzame hoogte, en niet alleen binnen de doorgaans preutse Jiddische literatuur. Eveneens prachtig is de weergave van de wederzijdse hulpeloosheid als leden van verschillende klassen zich met elkaar moeten onderhouden. De passage waarin de bruiloft wordt beschreven, is zowel komisch als pijnlijk. De familie doet haar best er een nette joodse bruiloft van te maken, met zang en dans, maar aanzienlijke gasten worden niet uitgenodigd. Zo zit de chique familie Masjber aan tafel met dienstpersoneel en met Loezi's armoedige Bratslavers. Bruid en bruidegom zitten er wezenloos bij. En de volgende ochtend is de bruid spoorloos verdwenen.

Dankzij Loezi komen we in aanraking met kleurrijke en tragische figuren uit de achterbuurt, grappig en ironisch beschreven, maar tegelijkertijd met meegevoel. In de beschrijving van hun ondraaglijke levensomstandigheden komt het socialistisch realisme nadrukkelijk om de hoek kijken, maar Der Nister waakt ervoor een beschuldigende vinger uit te steken.

Een van de opmerkelijkste figuren uit het boek is Sroeli Gol. Ogenschijnlijk is hij een onuitstaanbaar sujet. Hij valt rijke huizen binnen, schuift ongevraagd aan bij de maaltijd en maakt onbeschofte opmerkingen. En niemand durft hem de deur te wijzen. Maar op bruiloften van arme mensen speelt hij op zijn herdersfluit, zo mooi dat iedereen er tranen van in de ogen krijgt. Als de ongezeglijke Sroeli Loezi ontmoet, ziet hij meteen een leidsman in hem. Voor Loezi is Sroeli een steun en toeverlaat in praktische zaken. Na verloop van tijd huren ze zelfs samen een huisje in de achterbuurt. Daar wordt Loezi een vertrouweling van allerhande bedenkelijk volk.

Tegelijkertijd ontpopt Sroeli zich tot een stille weldoener, en niet alleen voor arme mensen. Hij redt ook Moisje – tot diens ontsteltenis – (tijdelijk) van het faillissement. Hoewel Der Nister de term niet noemt, vertoont Sroeli alle trekken van een lamed-wavnik, volgens het joodse volksgeloof een van de 36 rechtvaardigen die in elke generatie rondlopen en die zorgen dat de wereld blijft voortbestaan. Ook houdt Sroeli Loezi voor dat hij helemaal niet zo'n heilige is. Hoe kan hij de leidsman zijn van mensen die zichzelf en hun vrouw en kinderen laten verkommeren? En ten slotte is het Sroeli die Loezi overhaalt met hem de wijde wereld in te trekken.

Het zou een mooi einde kunnen zijn, ware het niet dat Der Nister een derde deel van De familie Masjber heeft aankondigd. Dat is nooit gepubliceerd, maar er zijn geruchten dat het wel heeft bestaan en dat er onder meer de mislukte revolutie van 1905 in wordt beschreven. Het is maar de vraag of Der Nister daarbij zijn evenwichtskunst heeft kunnen volhouden, dus misschien moeten we blij zijn dat het bij deze twee delen is gebleven. Aan de andere kant stemt het bitter dat De familie Masjber de laatste grote Jiddische roman uit de Sovjet-Unie was. Vanaf de jaren zestig verschenen er weliswaar weer wat publicaties in het Jiddisch, maar van de grote schrijvers was toen niemand meer over. Sommige waren geëmigreerd, de meeste waren vermoord.

Der Nister: De familie Masjber. Vertaald uit het Jiddisch door Willy Brill. Vassallucci. 768 blz. €50,–