Alleen vijanden rouwen om de VS

De invloedrijke New York Times-columnist Thomas Friedman reisde na 11 september door de islamitische wereld. Hij schrok van het wantrouwen tegen de Verenigde Staten. Maar ook over de politiek van Bush is hij niet gerust.

`Oh my God, they're going to blame us.' Deze kreet tekende Thomas Friedman op uit de mond van een van de secretaresses in het kantoor van Itamar Rabinovich, president van de Universiteit van Tel Aviv. Het was in de namiddag van 11 september 2001. Friedman, columnist van de New York Times, was daar voor een interview met Rabinovich. De uitroep van de secretaresse bleek profetisch. In de maanden na 11 september bereisde Friedman verschillende islamitische landen. Overal werd hij geconfronteerd met de complottheorie dat vierduizend joden op die fatale dag bewust de Twin Towers hadden gemeden, dat de Israëlische geheime dienst en de CIA de echte daders waren, maar dat de moslims de schuld kregen om hen vervolgens mores te kunnen leren. Een Pakistaanse vriend vertelde Friedman dat hij zijn kinderen dit verhaal met de nodige moeite uit het hoofd had gepraat, maar dat zij vervolgens door de schoolleiding met uitsluiting waren bedreigd voor het geval zij zich in de ketterij van hun vader zouden vastbijten.

Longitudes & Attitudes is een bundel columns die Friedman in de Times publiceerde, een aantal voor de elfde, de bulk daarna, tot aan de afgelopen zomer toe. Friedmans artikelen worden door media overal in de wereld overgenomen, soms ook door NRC Handelsblad. In zoverre maakt hij zelf deel uit van de globalisering, die hij beschreef in The Lexus and the Olive Tree. Centraal staan deze keer de nasleep van de elfde september, de `oorlog tegen het terrorisme' en de tweede intifada en de reactie van de regering-Sharon daarop. Friedman was ooit correspondent in het Midden Oosten. Tegenwoordig schrijft hij columns over internationale ontwikkelingen, maar de verslaggever in hem overtreft van tijd tot tijd de columnist. Dat maakt het derde en laatste deel van deze bundel tot het interessantste. Het heet `Diary', maar het heeft meer weg van een `Reporter's Notebook', een verhaal samengesteld uit anekdotes uit de keuken van het verslaggeversbedrijf.

`Follow the money', had koning Abdullah van Jordanië Friedman gezegd. De vorst had erop gewezen dat sommige liefdadigheidsinstellingen en niet-gouvernementele organisaties (NGO's) in het Midden Oosten niet altijd waren wat zij schenen, vooral die aan de Golf. En dat Osama bin Laden zijn operaties in Afghanistan, Jordanië en andere oorden had gefinancierd door charitatieve schenkingen van nietsvermoedende moslims af te tappen.

Prioriteiten

Behalve het geld waren er de daders van de aanslagen van 11 september. Friedman verdeelt ze in `Europeanen' en Saoediërs. De Europeanen waren de jeugdige moslims die naar Europa waren gekomen, die daar in een isolement waren geraakt en die vervolgens in contacten met fundamentalistische ronselaars waren geradicaliseerd. Hun boegbeeld was de Egyptenaar Atta, op vaders kosten studerend in Hamburg, leider van de groep die zich op de Twin Towers stortte. De Saoediërs fungeerden als de dommekrachten van de kapers, zij waren niet op de hoogte van hun uiteindelijke lot.

Echt scherp krijgt ook Friedman zijn reconstructie niet. Het gaat tenslotte om jongelui wier haat het wint van hun levenslust, zoals hij niet-begrijpend vaststelt. Friedman hecht in zijn verklaring veel belang aan het autoritaire karakter van de moslimregimes en aan de steun die deze `gematigden' van Amerika krijgen. Voor de in tal en last toenemende jongere generaties in de wereld van de islam is er nauwelijks toekomst. Maatschappelijk en politiek zit die wereld potdicht. Maar juist de `Europeanen', de bewuste daders, zo kan worden tegengeworpen, waren bevoorrechte jongemannen, die er aan hun universiteiten geruime tijd een westerse levensstijl op nahielden – totdat zij in de armen van moslimfanaten liepen.

Hoe verwarrend de wereld voor jonge moslims is, bleek Friedman tijdens een bezoek aan Jakarta. De vraag waarmee hij daar werd geconfronteerd, luidde: `Wordt Amerika's oorlog tegen het terrorisme een oorlog tegen de democratie?' Zoals Indonesiërs het zien, schrijft Friedman, schaarde Amerika zich in zijn oorlog tegen het communisme tientallen jaren lang aan de kant van dictators, zoals hun eigen president Suharto. Na de val van de Muur verlegde Amerika zijn prioriteiten naar verbreiding van de democratie. De bange vraag is nu: verlegt Amerika zijn prioriteiten opnieuw? Landen worden niet langer beoordeeld op hun democratische gehalte, maar op de inzet waarmee hun leger en hun politie Al-Qaeda bestrijden.

`We Are All Alone', stond boven een droefgeestige column over Amerika's veronderstelde isolement. Toch ontdekte hij nog een opsteker. `Welk land in het islamitische Midden-Oosten hield na elf september spontane wakes bij kaarslicht uit sympathie met Amerikanen? Koeweit? Nee. Saoedi-Arabië? Nee. Iran ? Ja.' Zo begint Friedman zijn column `The Best of Enemies?'. Friedman ontwikkelt vervolgens een theorie over de moslimwereld. Als het regime bevriend is met Amerika, is de haat onder de bevolking groot, maar als het regime Amerika haat, heeft de bevolking veel sympathie voor dat land.

Begin dit jaar had Friedman een scoop met het nieuws dat Saoedi-Arabië bereid was tot een complete vredesregeling met, en volledige erkenning van de staat Israël, in ruil voor Israëls terugtrekking achter de grenzen van 1967. De column veroorzaakte niet meer dan een mediahype. Maar het verhaal er omheen behoudt zijn waarde. De Saoediërs hadden Friedman uitgenodigd in hun campagne om met Washington weer eens de vredespijp te roken, na een periode van onderlinge onaangenaamheden in het spoor van de elfde september.

Twee dagen na zijn aankomst krijgt de columnist een uitnodiging van kroonprins Abdullah, de feitelijke heerser in het koninkrijk. Abdullah ontvangt hem in een ruime woestijntent. De kroonprins zit aan het hoofd van een lange tafel en heeft uitzicht op een wand vol tv-schermen. Friedman telt twintig kleine schermen gegroepeerd om een enorm groot scherm. CNN staat aan, maar omdat de monarch geen Engels spreekt en verstaat, ondergaat hij, meent de Amerikaanse gast, toch vooral de invloed van Arabische zenders. Die brengen hoofdzakelijk, zonder analyse of achtergrond, Israëlische gewelddaden in beeld in de bezette gebieden.

Friedman werpt de vraag op waarom er wel een Amerikaans en een Israëlisch vredesplan bestaat maar geen Arabisch. `Heb je in mijn bureau ingebroken?' vraagt Abdullah quasi-verbaasd. De kroonprins heeft een speech gereed waarin hij zo'n plan lanceert. De vorst aarzelt echter omdat premier Sharon er weer eens op los geslagen heeft. Friedman komt vervolgens met een eigen analyse. Met Clinton hebben de joden de Amerikaanse regering verlaten en dat bevalt u, zegt hij. Maar vergist u zich niet: de WASP's (White Anglo-Saxon Protestants) hebben het overgenomen en `het Israëlisch-Palestijnse conflict kan hun geen zier schelen. [...] Zij hebben er geen emotionele band mee.'

Snapshots

De volgende dag krijgt Friedman de vraag voorgelegd, welke citaten uit het achtergrondgesprek hij zou willen gebruiken. De columnist waarschuwt de intermediair: heb je wel goed vertaald, realiseert de prins zich wat hij gezegd heeft? Na ruggespraak komt het antwoord: `Hij (Abdullah) begrijpt perfect dat vrede vrede betekent, normalisering normale relaties – ambassades, verdragen, de hele zaak.' Toen de column op zondagmorgen 17 februari verscheen was iedereen verrast, meldt de auteur, vooral in Saoedi-Arabië.

Een verzameling columns is niet het equivalent van een essay en zeker niet van een intellectueel bouwwerk waarin de architect zijn diepste gedachten in een harmonisch geheel tot uitdrukking brengt. Het zijn eerder snapshots van de actualiteit waarbij de gekozen hoek iets zegt over de voorkeuren van de fotograaf. Friedman blijkt een verklaard tegenstander van de Israëlische nederzettingenpolitiek en daarmee van de Amerikaanse meegaandheid ten opzichte van Sharon. Arafat heeft volgens hem zijn onvermogen gedemonstreerd toen hij de door Sharons voorganger Barak uitgestoken hand negeerde. De eensgezindheid in de Veiligheidsraad die de terugkeer van de inspecteurs naar Irak afdwong, vierde de columnist op 14 november jongstleden onder de titel `The first hopeful moment since Sept.11'.

Amerika's escalerende confrontatie met het regime van Saddam Hussein komt in Longitudes & Attitudes slechts zijdelings aan bod. In zijn column van 9 december bereikt Friedman een splitsing in de weg. Oorlog tegen Irak is voor hem geen verwerpelijke zaak. `Maar', zo besluit de columnist, `als Bush zijn mandaat eenvoudig gebruikt om een keiharde rechtse agenda uit te voeren en zich overgeeft aan meer feel good-politiek, zal de wereld voor iedere Amerikaan een steeds gevaarlijker plaats worden – ongeacht welke oorlog we voeren, of welke oorlog we winnen.'

Thomas L. Friedman: Longitudes & Attitudes. Exploring the world after september 11. Farrar, Strauss and Giroux, 383 blz. €32,50

    • J.H. Sampiemon