Winkelen in het groot groter grootst

Nooit eerder had de shoppende Nederlander de beschikking over zoveel winkelruimte – en de megaformules blijken meestal een succes. Maar nu dreigt leegloop in de binnenstad en een overschot aan de rand van de stad. `De supermarkt is over tien jaar hét ontmoetingspunt in een wijk.'

Tien jaar geleden was er in het kloppend hart van Rotterdams Alexanderpolder weinig meer te zien dan steigers en staketsels en weinig meer te horen dan heimachines. Tussen de uitdrukkingsloze nieuwe kantoorgebouwen was geen mens te zien, zelfs het winkelcentrum uit de jaren zestig, de Oosterhof, was vanaf de straat vermomd als een dode doos. Sindsdien zijn daar behalve nog veel meer kantoren en — conform de tijdgeest — een Drive Thru Burger King, nog twee winkelcentra bijgekomen. Het Alexandrium, zoals het driedelige complex heet, is met zijn oppervlakte ter grootte van twintig voetbalvelden het grootste en meest succesvolle winkelcentrum van Nederland en het op twee na grootste van Europa. Op drukke dagen verstopt de shopping-file de afslag van de A20.

Nooit eerder heeft de Nederlander zo veel en zulke grote winkels tot zijn beschikking gehad. Was dat medio jaren zeventig 0,8 vierkante meter per persoon, nu is het anderhalve vierkante meter en het eind is nog niet in zicht. Volgens researchbureau PropertyNL ligt er een recordaantal plannen klaar voor nog eens een miljoen vierkante meter nieuwe winkels aan de rand van de stad – een toename van ruim 20 procent in één jaar. Het aanbod aan winkelruimte — de zogeheten `planvoorraad' — vooral voor grootschalige ontwikkelingen, is in de eerste negen maanden van vorig jaar met 58 procent gestegen, de snelste stijging in ruim twintig jaar.

Nu tekent zich een kentering af. Hoewel we volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek vorig jaar iets meer geld in winkels besteedden — in oktober 1,9 procent meer dan in oktober 2001 — zijn zowel ontwikkelaars, gemeenten en zelfs winkelbedrijven huiverig voor leegstand en voor uitholling van de binnenstad. Zo heeft Groningen vorige maand in zijn nieuwe nota `Detailhandel en leisure' de plannen geschrapt voor zes grote nieuwe winkelcentra rond de binnenstad, aangezien de bestaande winkelcentra elkaar al zwaar beconcurreren. Almere heeft vorige maand aangekondigd winkels op bedrijventerreinen niet langer te gedogen, nu de bouw van het nieuwe stadscentrum vordert: daar is immers een uitbreiding van winkels en recreatieve voorzieningen gepland van 80.000 vierkante meter.

Eveneens vorige maand heeft de Raad voor de Nederlandse Detailhandel namens winkeliers in Alkmaar de bouw van het nieuwe AZ-stadion `Kooimeerplaza', waaromheen vijf gebouwen met bij elkaar twintigduizend vierkante meter aan grote winkels en een supermarkt was gepland, via de rechter voorlopig weten te schorsen. Hoe bepalend de detailhandel is voor de exploitatie van het sportcomplex, bleek deze week toen AZ-voorzitter Dirk Scheringa in zijn nieuwjaarstoespraak zei dat de profclub failliet zal gaan als eind volgende maand nog niet duidelijk is of de bouw eind maart kan beginnen.

Zoals meestal is de oorzaak van het probleem makkelijker aan te geven dan de oplossing: de plannenmakerij loopt vooruit op de economie. Sinds eind jaren zeventig is het aantal grote winkelcentra aan de stadsrand over het hele land gestaag gegroeid. Mensen kregen meer vrije tijd, er zijn meer tweeverdieners en er is meer welvaart, driekwart van de huishoudens heeft intussen een auto en is gesteld op het moderne gemak van bereikbaarheid en ruime parkeergelegenheid. Maar met het schrikbeeld van de Amerikaanse donut city voor ogen — leeg in het midden, vol eromheen — wilde de overheid voorkomen dat de binnensteden werden uitgehold. Daarom werd in de jaren tachtig het onuitsprekelijke perifere detailhandelsvestigingsbeleid in het leven geroepen, dat het assortiment van de grote winkels tot grote voorwerpen meestal beperkte: wit- en bruingoed, boten, meubels. (Alleen begreep de consument niet waarom hij wel met de auto naar een winkel, of een hele reeks winkels, kon rijden om naar banken en bedden te kijken, maar naar de binnenstad moest voor de kussens en de leeslamp). De volgende stap in de liberalisering werd in 1994 gezet met het (even onuitsprekelijke) grootschalige detailhandelsvestigingsbeleid, dat dertien knooppunten in Nederland aanwees waar de grootschalige detailhandel de vleugels mocht uitslaan. Nog meer vrijheid bood de Vijfde Nota voor de Ruimtelijke Ordening, die de zeggenschap hierover bij provinciale en lokale overheden had zullen leggen. Al kreeg deze nota door de val van het vorige kabinet nooit kracht van wet, alle betrokkenen zijn er wel al naar gaan handelen. Vandaar het stuwmeer aan plannen.

Volgens directeur Cees de Bruin van Retail Innovation Nederland (RIN), de in 1994 opgerichte belangenvereniging van de grootschalige detailhandel, is de schaalvergroting nu eenmaal onvermijdelijk. ,,De consument wil het graag en de bedrijven moeten wel. Was vroeger een winkel van zeshonderd vierkante meter rendabel, nu is dat pas bij 1.500 of 2.000 meter het geval.'' Hij wijst erop dat je ook in de binnenstad de schaalvergroting ziet: in de winkelstraten bestaat het aanbod voor 80 procent uit ketens.'' Voor concurrentie met de binnenstad is hij niet bang: ,,Het zijn twee totaal verschillende milieu's die mensen allebei gebruiken, op verschillende momenten. Het is wel waar dat de fun-component aan de stadsrand toeneemt, ja.''

De Bruin is er dan ook van overtuigd dat er in Nederland nog behoefte is aan tien of elf `clusters' grootschalige detailhandel, onder andere in Eindhoven, Maastricht en Zwolle, waar RIN-leden 60.000 vierkante meter gaan vullen. Hij maakt daarbij onderscheid tussen een verzameling megastores, waarvoor een afzetgebied van 250.000 mensen nodig is, en het grotere `totaalconcept' à la Alexandrium voor 500.000 tot anderhalf miljoen potentiële klanten. Maar dan moeten die ontwikkelingen wel geconcentreerd zijn, en niet zoals nu met stukjes en beetjes overal opduiken, zoals op bedrijventerreinen.

Over de noodzaak de nieuwe ontwikkelingen te concentreren zijn alle betrokken het eens. Peter Nijssen, bij de afdeling economische zaken van de provincie Zuid-Holland belast met de detialhandel: ,,De langetermijntrend naar steeds grotere winkels zal doorzetten, die moet je dus ergens accommoderen. Je moet knooppunten aanwijzen en geen detailhandel solitair op een bedrijventerrein neerzetten.'' Hij vreest dat het stuwmeer alleen maar groter zal worden nu de kantorenmarkt inzakt, en gemeenten winkels als een vervangende bestemming zien. Het liefst zag Nijssen een gezamenlijk beleid voor de detailhandel van de vier provincies van de Randstad, ,,want de consument trekt zich niets aan de provinciale grenzen''.

De drie grootste concentraties van grote winkels in Nederland bevinden zich in de drie grootste steden: de megastores en het gestapelde meubelboulevard Villa Arena aan de Arena-Boulevard en aan de andere kant van het spoor het wijkwinkelcentrum de Amsterdamse Poort; het Alexandrium in het noordoosten van Rotterdam en de Megastores Haaglanden in het Laakhavengebied van Den Haag.

Verreweg het meest succesvolle is het Alexandrium, met twee miljoen bezoekers per jaar. Volgens Marcella Maltha, beheerder van zowel het Alexandrium als Villa Arena in Amsterdam, komt dat doordat het uit drie delen bestaat die ieder aan een ander publiek op een ander moment appeleren: het onlangs gerenoveerde Oosterhof, nu Alexandrium I, dat als wijkwinkelcentrum is gebouwd voor de dagelijkse boodschappen, het runshoppen in de megastores en het thematische winkelen in de woonmall. Alexandrium speelt ook in op de trend naar winkelen als recreatie – en doet tegelijk aan klantenbinding – door het bieden van kinderopvang, het publiceren van een `woonagenda', het organiseren van jazz- en pianoconcerten in het atrium, het laten persen van cd's en het houden van `woonmodeshows' waarbij ter plekke een nagebouwd interieur wordt ingericht. ,,Nu zijn we toe aan het verbeteren van de omgeving'', vindt Maltha, ,,met ondergronds parkeren en daar bovenop een theater, hotel, horeca en terrassen.''

Minder florissant gaat het in de Megastores Haaglanden. Volgens een vertrouwelijk rapport van de Kamer van Koophandel is alles eraan verkeerd wat verkeerd kan zijn. Het aanbod is eenzijdig en alleen interessant voor de wijk, terwijl het bedoeld was voor een grote regio, bovendien staan er enkele winkels leeg. De ligging zou ook verkeerd zijn, vlakbij een tippelzone en te dicht tegen de binnenstad aan om goed bereikbaar te zijn. Op het bedrijventerrein, Laakhaven geheten, wordt nog steeds gebouwd, met alle overlast van dien, en tot overmaat van ramp was de grondprijs onverwacht hoog door bodemsanering. De Kamer van Koophandel heeft voorgesteld het concept te verbreden tot `Living & Lifestyle', met woninginrichting, keukens en kooklessen en een restaurant, om er ook in de avonduren meer levendigheid in te brengen.

Niet alleen de doe-het-zelfzaken en de woninginrichtingwinkels woren groter, de supermarkten doen daar hard aan mee, met steeds meer fun- en non-food functies erbij. Vlak voor de kerst zei voorzitter Klaas van den Doel van het Centraal Bureau Levensmiddelen in deze krant: ,,De consument heeft steeds minder tijd en wil nog meer verse kant-en-klaarproducten en diensten onder één dak. De supermarkt is over tien jaar hét ontmoetingspunt in een wijk.'' De gemiddelde supermarkt zal volgens hem dan ook in grootte verdubbelen. In december ging de eerste vierduizend vierkante meter grote AHXL van Albert Heijn open in Arnhem, eind oktober werd een voormalige Maxis van drieduizend vierkante meter omgebouwd tot het grootste filiaal van C1000.

Grootschalige detailhandel is tegenwoordig ook onmisbaar bij de exploitatie van stadions, maar de plannen vorderen moeizaam, en niet alleen bij AZ in Alkmaar. Een van de trekkers van het nieuwe stadion van Roda JC in Kerkrade moest een AHXL worden, maar die is er nog niet. Ook bij de plannen voor het Zuidpolder-stadion in Haarlem speelt de angst voor overbewinkeling een rol. Een uitzondering is Arnhem, waar de gemeente ondanks de exploitatieproblemen van het Gelredome geen detailhandel wil toestaan: liever subsidieert ze het stadion dan de binnenstad in gevaar te brengen.

De nieuwste ontwikkeling is dat bedrijven die zich tot nu toe richtten op de grote winkeloppervlaktes aan de stadsrand, toch óók graag in de binnenstad willen zitten, ook al is de locatie niet ideaal. Zo heeft Perry Sport genoegen genomen met ruimte op de eerste en tweede verdieping, om zich maar in de binnenstad van Den Bosch te vestigen. De Bruin van Retail Innovation Nederland vindt dan ook dat gemeenten, en het verzamelde midden- en kleinbedrijf, minder energie moeten steken in `protectionisme' en meer in een betere bereikbaarheid van de binnenstad. ,,Dat is namelijk het échte probleem.''

    • Tracy Metz