Syrië en VS: slikken aan twee kanten

De VS en Syrië voeren een voorzichtige dialoog: ze zijn het op bijna alle punten hartgrondig met elkaar oneens, maar ze hebben elkaar nodig.

Verscholen achter een barrage van scherpe Syrische uitspraken tegen een Amerikaanse aanval op Irak heeft een bont maar gezaghebbend Amerikaans gezelschap de afgelopen drie dagen in Damascus met Syrische vertegenwoordigers gesproken. Onderwerp van gesprek waren waren tal van zeer gevoelige zaken – zoals daar zijn de Iraakse crisis, het Arabisch-Israëlische geschil in al zijn aspecten en de oorlog tegen terreur. Alleen op het laatste punt, tenminste voorzover het Al-Qaeda betreft, zijn beide landen het eens. In Syrië worden ten bate van de Verenigde Staten verscheidene Al-Qaeda-verdachten verhoord. Maar een eindje verderop staan de kantoren van Palestijnse groepen die voor Israël en de VS ook terroristen zijn maar in de Syrische terminologie ,,persattachés'', reden waarom Damascus op de Amerikaanse lijst van sponsors van internationaal terrorisme staat.

De dialoog in Damascus, die volgde op een soortgelijke praatronde in Houston, Texas, was informeel. Maar het gewicht van de deelnemers, onder wie zakenlieden en opinieleiders, gaf aan dat het gezelligheidselement gering was. Aan Amerikaanse kant namen onder anderen de Republikeinse senator Arlen Specter en ex-onderminister van Buitenlandse Zaken en ex-ambassadeur in Damascus Edward Djerejian deel. Aan Syrische zijde waren naast een keur aan vooraanstaande academici ook onderminister van Buitenlandse Zaken Walid al-Muwalem en de ambassadeur in Washington, Zahia Matraji, aanwezig.

Djerejian zei na afloop dat het een ,,zeer productieve en constructieve uitwisseling'' was geweest waarbij men verder was gegaan dan polemiek en officiële standpunten, ,,veel verder dan dat''. Het Syrische ministerie van Buitenlandse Zaken onderstreepte eveneens het belang van de dialoog, en de noodzaak van voortzetting.

Beide landen hebben elkaar nodig – vandaar de dialoog – maar staan op vele punten diametraal tegenover elkaar, wat een enigszins schizofrene situatie oplevert. De Amerikaanse regering wil Syrië losweken van het Iraakse regime dat Damascus onder andere als afnemer van illegale olie steunt, en in het algemeen in de kwestie-Irak aan haar zijde krijgen.

Tegelijkertijd staat zij onder druk van neoconservatieven die het hele Midden-Oosten in het algemeen op de schop willen nemen en Syrië als bezitter van massavernietigingswapens en steunpilaar van Palestijnse strijdgroepen en het Libanese Hezbollah in het bijzonder. Zo is Syrië zojuist in een rapport van een adviescommissie van het Amerikaanse Congres weer gebrandmerkt als ,,de meest actieve staatssponsor van terrorisme'' na Iran, dus erger dan Irak.

Het Syrische regime op zijn beurt wil hoe dan ook vermijden dat het in een hoek terechtkomt waar Amerikaanse of Israëlische klappen vallen – in Israël gaan immers invloedrijke stemmen op om van de gelegenheid van Amerikaanse aanval op Irak af te rekenen met Hezbollah en met de Syrische invloed in Libanon. Premier Sharon deed twee weken geleden nog zijn best de Syrische regering in diskrediet te brengen met de beschuldiging dat Saddam Hussein chemische en biologische wapens naar Syrië had overgebracht.

De Syrische stem vóór de anti-Irak resolutie in de VN-Veiligheidsraad in november was een uiting van de grote Syrische behoedzaamheid, evenals het goede gedrag van Hezbollah, dat zich aan de Israëlische grens bijzonder rustig houdt. Maar Damascus wil zeker niet verder gaan dan nodig is. Vandaar dat de Iraakse smokkelolie nog binnenstroomt.

    • Carolien Roelants