Slechts één keer per jaar zijn de darters welkom

Bob Potter is eigenaar van de Lakeside Country Club. Deze week is hij voor de achttiende maal gastheer van het Embassy World Championship Darts. Aanvankelijk weigerde hij het schreeuwerige volkje in zijn prestigieuze cabaretclub. Maar één keer per jaar zijn de darters welkom.

Voor iemand met een grote angst voor ambulances en ziekenhuizen maakt Potter zich erg druk. Te druk lijkt het wel. Als er stoelen moeten worden verplaatst, is de 74-jarige Engelsman er snel bij. Sneller dan hij de orders kan uitdelen aan anderen, doet hij het klusje wel even zelf. Dat is altijd zijn werkwijze geweest en als hij dat zou moeten veranderen wordt het, volgens vrienden, zijn dood.

Potter groeide op in het naast Frimley Green gelegen dorpje Mytchett. Op de boerderij van zijn vader was iedere helpende hand welkom, dus veel jaren scholing zaten er voor kleine Bob niet in. Niet dat hij het erg vond, want werken en geld verdienen boeiden hem al jong. Daartoe kreeg hij sneller dan verwacht de mogelijkheid. De boerenzoon was 12 jaar toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Legerkampen werden in snel tempo uit de grond gestampt. ,,Een mooie kans'', blikt hij terug in zijn Lakeside Country Club, een chique cabaretclub waarin tal van internationale zangers optreden en slechts twee weken per jaar de darters hun gang mogen gaan. ,,Ik vroeg aan mijn vader de vrachtwagen te leen. Die werd niet gebruikt omdat hij bijna zonder benzine stond. Ik reed naar de eerste de beste kazerne en vroeg de commandant te spreken. Hem vertelde ik dat ik met mijn vrachtwagen wel spullen wilde vervoeren voor het leger als zij voor benzine konden zorgen. Dat was zo geregeld, dus ik had als een van de weinigen gemotoriseerd vervoer.''

,,Dus ging ik met de legerbenzine die ik overdag verdiende, 's avonds muziekgroepjes rondrijden'', vervolgt Potter. ,,Want ontspanning moest er zijn voor de soldaten. Ik had op een gegeven moment achttien bandjes onder contract en verdiende goed geld. Ik was de hele dag in touw en sliep weinig, maar het was prachtig.''

Zelf was Potter een talentvol drummer en trompettist. Vaak viel hij bij ziekte in, om de optredens toch te laten doorgaan. Toen de oorlog eindigde hield Potter zijn twee loopbanen bij. Hij bleef voor het leger werken, want al die barakken en hangars moesten weer worden afgebroken. Ook met de muziekgroepjes ging hij door. Tientallen tournees door Engeland en Nederland waren zonder uitzondering succesvol. Potter legde daarmee de basis voor zijn fortuin. Ook omdat het hem nooit aan geluk heeft het ontbroken.

,,Van het materiaal dat ik overhield van de sloop van de legerbases heb ik de Lakeside Country Club gebouwd'', vertelt Potter. ,,Bovendien had ik op muzikaal vlak zo'n goede naam opgebouwd, dat ik zelfs een grote ster als zanger Tom Jones onder contract kreeg. Voor zijn optredens moest ik een goede pianist zoeken. Op een dag vroeg mijn huishoudster of haar zoon auditie mocht doen. Dus liet ik hem, Les Reed, voor ons spelen. Hij werd aangenomen en zou uitgroeien tot een van de grootste sterren in de business.''

De Lakeside Country Club werd een groot succes. Een cabaretclub met Londense allure in een landelijke omgeving, was een nieuw concept. Iedereen die ook maar iets betekende in de Engelse society liet zich er graag zien. Zelfs leden van het Engelse koningshuis behoorden tot de klantenkring. Artiesten als Benny Hill, Shirley Bassey en Vera Lynn traden er met plezier op. Potter: ,,Een van de leuke dingen die ik bedacht, was de aanschaf van twee dure auto's. Een Rolls Royce om mijn buitenlandse gasten in op te halen en een Amerikaanse limousine voor de Engelsen. Dat vinden ze prachtig. Die wagens heb ik nog steeds, en ze hebben hun geld ruimschoots opgebracht.''

Op 24 november 1978, drie dagen voor het Potters 50e verjaardag, sloeg het noodlot toe. Een brand, waarvan Potter tot op de dag van vandaag nog gelooft dat het brandstichting betrof, legde het complex volledig in de as. Brandweermannen konden Potter niet tegenhouden toen hij het brandende gebouw in rende. Ondanks de immense hitte wist hij in zijn eentje nagenoeg de hele administratie uit de vlammenzee te redden.

Voortgestuwd door werklust en zijn aangeboren optimisme herbouwde Potter de club. Met de heropening keerde ook het succes terug en in 1985 werd hij voor het eerst benaderd door Olly Croft, voorzitter van de British Darts Organisation, om de Embassy (het officieuze wereldkampioenschap) in zijn club te houden.

Potter weigerde. ,,Ik zag dat helemaal niet zitten, al die schreeuwende en bier drinkende fans'', verklaart hij nu. ,,Zeker niet omdat ik een erg goede naam had in heel Groot-Brittannië. Een jaar later kwam Croft weer bij me. Met de woorden `ik maak je club wereldberoemd' wist hij me over te halen. Maar ik sta slechts één Embassy toe. Om te kijken hoe het gaat. Achteraf moet ik toegeven dat het me honderd procent is meegevallen, maar die eerste keer in 1986 hield ik mijn hart vast.'' Hij voelt zich aardig thuis onder de dartsfans, al is het maar één keer per jaar.

In de jaren die volgden werkte hij gestaag aan de uitbreiding van zijn imperium. Inmiddels is hij eigenaar van meer dan zeshonderd bedrijven, waaronder bouwbedrijven, diverse hotels, een golfbaan, een restaurantketen en een transportbedrijf. Volgend jaar december gaat de Lakeside tegen de grond. Een volledig nieuw auditorium, met balkons rondom zal in elf maanden uit de grond worden gestampt. De Embassy zal voor één keer moeten uitwijken naar een van de andere gebouwen van het Lakeside complex.

Zijn vermogen wordt geschat op tientallen miljoenen pond. Potter is trots op het vele liefdadigheidswerk dat hij doet: ,,Ik ben een van de grondleggers geweest van de Prince's Trust, een fonds waar prins Charles beschermheer van is, maar ook initiatiefnemer van prinses Anne's Water Rats. Daarnaast doe ik ook nog veel losse dingen. Zoals het schenken van een nieuwe vleugel voor het plaatselijke ziekenhuis.''

    • Hans Willink