Samenleving moet op een senioren-menu

Het is een illusie te denken dat Nederland binnen afzienbare tijd weer een periode van economische groei zal doormaken. Eerder zal de materiële welvaartsgroei stokken of zelfs dalen, meent Bernard van Praag.

Wanneer men de huidige politieke discussie volgt, ziet men een soort tegenstelling tussen fundi's en realo's. De fundi's, zoals Jan Marijnissen, trachten nog idealen na te streven, waarbij men zich weinig aantrekt van de economische beperkingen. Zalm daarentegen tracht ons diets te maken dat, wanneer we de economie maar in het gareel houden – hij bedoelt de begroting en de staatsschuld – alles wel weer goed komt. `It is the economy, stupid', zoals het gevleugelde woord luidt. Maar de werkelijke oorzaak van de aanstormende malaise in West-Europa ligt dieper en is structureel van aard.

Net zoals bij een bedrijf wordt de productiviteit van een economie bepaald door drie productiefactoren: grond, geldkapitaal en menselijk kapitaal. We kunnen de grond niet vermeerderen en aangezien er een steeds maar groeiend beroep wordt gedaan op onze ruimte voor huizen, gebouwen, verkeer en natuurbehoud, wordt onze vrije ruimte steeds duurder. Dit maakt onze goederen duurder, vergeleken met die van het buitenland, en het leidt er toe dat producties worden verplaatst of opgezet in het buitenland, waar de vrije ruimte goedkoper is. Nederland verliest zijn concurrentiekracht. Met ons geldkapitaal is weinig aan de hand. Nederland is rijk. Maar de situatie met betrekking tot het menselijk kapitaal, onze human resources, is ronduit zorgwekkend.

De productiviteit van onze bevolking wordt natuurlijk door veel dimensies bepaald. In de eerste plaats hangt de productiviteit af van de leeftijdsverdeling. Jongeren, en dan mag iedereen voor zich zelf invullen bij welke leeftijd die kwalificatie ophoudt, produceren in het algemeen meer dan ouderen. Ze zijn ook meer genegen tot het aanpakken van nieuwe taken en het nemen van risico's. Natuurlijk is hierbij sprake van een generalisatie. Konrad Adenauer, van 1949 tot 1963 kanselier van de bondsrepubliek Duitsland, bleef tot zijn negentigste actief, en er zijn nog vele andere krasse grijsaards in onze onmiddellijke omgeving die nog niets van hun jeugdig elan verloren lijken te hebben. Maar toch, het feit dat ouderen het gemeenlijk afleggen tegen jongeren bij sollicitaties en dat men ouderen aan de kant zet met functioneel leeftijdsontslag, reflecteert de regel dat de ouderdom komt met gebreken.

Het is bekend dat de West-Europese bevolking snel veroudert. Bij een stabilisatie van de vruchtbaarheid op circa 1,5 kind per vrouw, stevent de Nederlandse bevolking af op een totaal andere leeftijdsverdeling dan die wij in de laatste vijftig jaar gekend hebben. In 1998 was ca. 30 procent van de bevolking jonger dan 25 jaar. Een generatie eerder bedroeg dat percentage nog ongeveer 50 procent. We mogen er dus gerust van uitgaan dat de productiviteit per hoofd van de bevolking daalt en in de komende decennia nog meer zal dalen.

Een tweede factor die de kwaliteit van het menselijk kapitaal bepaalt, is kennis. Wie de krant opslaat, kent de jammerklachten op dit punt in Nederland. Er wordt steeds minder in kennis geïnvesteerd en krijgt mevrouw Nijs het voor het zeggen in de komende kabinetsperiode, dan ligt verdere afbraak voor de hand.

Een derde factor is gezondheid. Mogen wij de WAO-statistieken geloven, dan is onze bevolking in de woorden van Lubbers `ziek'. Met name het aantal jongeren dat arbeidsongeschikt verklaard wordt, is schrikwekkend. Al met al is er dus alle reden om te veronderstellen dat de productiviteit van de bevolking daalt of althans minder gaat stijgen dan in de afgelopen decennia het geval was. Het aanjagen van de immigratie uit niet-westerse streken is ook geen oplossing, want het zijn juist meestal deze jongeren die moeilijk in de arbeidsmarkt in te passen zijn.

De vraag naar goederen van onze vergrijzende en krimpende bevolking is ook drastisch aan het veranderen naar omvang en samenstelling. In de eerste plaats gaat onze vraag voor een belangrijk deel bestaan uit `vervangingsvraag'. De initiële vraag naar eerste huizen, meubilair en kinderwagens zal drastisch afnemen en dat zal onvoldoende worden opgevangen door de vraag naar rollators. De vraag naar zorg zal sterk toenemen en die vraag is arbeidsintensief. In dat soort productie is echter weinig productiviteitsgroei mogelijk. Men noemt dit verschijnsel wel de Wet van Beaumol. Zelfs wanneer we erin slagen de samenstelling van onze productie aan de veranderende vraag aan te passen, en daarin past bepaald geen restrictief volksgezondheidsbeleid, dan zien we dat de meer arbeidsintensieve technologie van de zorgsector zal leiden tot een daling de groei van de arbeidsproductiviteit.

Op dit ogenblik zitten we in het midden van deze evolutie. De hoop dat wij binnen enkele jaren het rechte groeipad van de jaren '90 weer zullen bereiken, lijkt niet erg gefundeerd. Een oplossing voor dit vraagstuk is er eigenlijk niet, ook al kunnen wij met handige investeringen in het buitenland misschien nog een goed renteniersinkomen kweken. De enige oplossing is: de tering naar de nering zetten. Gelukkig eten ouderen minder dan jongeren. Wij moeten op een `senioren-menu'.

Wij zullen de bevolking er aan moeten wennen dat de materiële welvaartsgroei gedurende enige decennia zal stokken of zelfs gaan dalen. En dit geldt niet alleen voor Nederland, maar voor alle `oude' landen in West-Europa.

Dit is een nare boodschap voor politieke leiders. Zo'n boodschap komt niet uit voor de verkiezingen en eigenlijk ook niet daarna. Toch lijken dit de werkelijke issues van de nabije toekomst waarvoor de politiek van vandaag een antwoord moet formuleren. `It is the demography, stupid'.

Prof.dr. B.M.S. van Praag is universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.

    • Bernard van Praag