Post-schandaleus tijdperk

De gewoonte dicteert dat de eerste helft van januari voor de optimisten is. Via bierpomp en bitterballen worden grote hoeveelheden hoop en vertrouwen door de strot van de verbaasde receptieganger geduwd.

Van de buitenkant lijkt het erop dat de mensen die het kunnen weten, herstel zien aankomen. De president van de Europese Centrale Bank, de werkgeversvoorzitter, de politicus die herkozen moet worden – allen schrapen de keel en toveren een geluidje van blijde verwachting tevoorschijn. Maar het klinkt een beetje iel en net iets te vragend.

Dat is niet onbegrijpelijk. Faillissementen van onaantastbaar geachte ondernemingen als Enron en WorldCom, schimmigheden van gereputeerde accountantsfirma's en boterzacht gebleken reputaties van topmanagers hebben geleid tot rechtszaken, schadevergoedingen en krachtig taalgebruik van politici. Er worden vonnissen geveld en boetes betaald.

Blijkbaar is het post-schandaleus tijdperk aangebroken. Maar wat betekent dat? Wat krijgen we te zien als de puinhopen zijn weggewerkt? Wat wordt verwacht van een onderneming die over twaalf maanden nog succes wil hebben?

Het eerste oriëntatiepunt is dat het bedrijfsleven in 2003 kan rekenen op meer regelgeving. De tijden van deregulering liggen achter ons. In de Verenigde Staten worden de topmensen van beursgenoteerde ondernemingen persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de betrouwbaarheid van de financiële verslaggeving. Franse wetgeving schrijft voor dat grote ondernemingen milieu- en sociale aspecten meenemen in hun financiële verslagen.

De timing is perfect. Sinds de spectaculaire fraudegevallen is de publieke bereidheid om meer bemoeienis van bovenaf te accepteren merkbaar gegroeid. Maar met de uitvoering is het wennen. Eind december hebben tien zakenbanken in New York beloofd een boete van gezamenlijk 1,34 miljard euro te betalen wegens `systematische uitbuiting van beleggers'. In ruil voor hun medewerking wordt van strafvervolging afgezien en blijven de dossiers voor het publiek gesloten. Het bedrag lijkt spectaculair, maar het is een schijntje in verhouding tot de behoefte aan openheid en fairness. Bovendien is het zeker dat die boete uiteindelijk door de klant betaald gaat worden. Er is dus veel boter op veel hoofden blijven liggen.

Een tweede verschijnsel dat we in 2003 meer zullen zien, is een versobering in het leven van topmanagers. Twee jaar geleden verdienden de tien best betaalde topmanagers in de Verenigde Staten 154 miljoen dollar per persoon, nu levert de een na de ander bonussen en optiepakketten in. De excessen hebben hun beste tijd gehad.

Maar ook dat is even wennen. Kleurloosheid en ideeënarmoede liggen niet meer veraf. Er is een risico dat er te weinig wordt ondernomen. Om die dreigende frictie weg te nemen zal er meer aandacht komen voor risicomanagement, dat wil zeggen beter opletten voordat de handtekening wordt gezet. De inzet is de langere termijn en minder de korte termijn (schijn)succesjes. Exit van de flamboyante lawaaimanager.

Een derde, meer fundamentele bezigheid bestaat in een nieuwe verkenning van de verhouding tussen bedrijfsleven en maatschappij. Dat heeft een commerciële en een politieke kant. De commerciële kant kennen we al een beetje. Deze wordt ook wel outside-in benadering genoemd. Het adagium is: verplaats je in het gezichtspunt van de klant. Een recent staaltje is Philips – qua helderheid van de organisatiestructuur vroeger vergeleken met een bord spaghetti – dat nu netjes is opgedeeld in drie onderdelen. Dat zijn consumenten, gezondheidszorg en ondersteunende technologie.

De klant staat daarmee centraal. Bekende kost. Minder bekend is hoe ondernemingen in 2003 omgaan met de almaar toenemende behoefte vanuit de maatschappij aan meer openheid. Jeffrey Garten (universiteit van Yale) schrijft in The Economist dat het bedrijfsleven een nadrukkelijker rol moet spelen bij de vormgeving van de samenleving. De gedachte is dat overheden of genoeg hebben gedaan, dan wel incompetent zijn, en in ieder geval hulpbehoevend blijven. Dat laatste wordt volgens de auteur manifester naarmate de politiek zich meer richt op terrorismebestrijding en veiligheid in plaats van op vertrouwde onderwerpen als inflatie en belastingen.

We kunnen er zeker van zijn dat de actieradius van de topmanager in 2003 hardhandig wordt verbreed. Politiek Den Haag en Brussel liggen nog heel ver weg van de traditionele bestuurskamers – politiek denken is geen automatische reflex zoals financiën en marketing. Maar hoe ver kan je gaan? Moeten we Unilever vragen de krijtlijnen voor het Nederlandse buitenlandse beleid te tekenen? Of Akzo Nobel om een voorstel te doen voor een nieuwe omroepwet? Ook dat is even wennen, maar we kunnen ons de moeite besparen. Dit is niet uitvoerbaar. Aandeelhouders en werknemers zouden niet accepteren dat die bedrijven hun competenties zozeer zouden verbreden.

Gelukkig maar. Een al te innige omgang van het bedrijfsleven met de politiek leidt tot misverstanden en schandalen. Verregaande intimiteiten tussen een onderneming en zijn klanten eveneens. Veel ondernemingen worden terecht onder druk gezet om zich beter te verplaatsen in de visie van anderen. Maar hopelijk vinden de betrokkenen daarin een stimulans om eenieder in diens waarde te laten. Indien 2003 daarvan een eerste teken laat zien, wordt het een boeiend jaar.

verwey@public-business.com

    • Wynold Verwey