Kunst van het klonen

Met betrekking tot het artikel `De kunst van het klonen' door Luuk van Middelaar en Cécile Zervudacki (NRC Handelsblad, 3 januari) het volgende: De schrijvers van dit artikel beweren enerzijds dat morele oordelen over klonen (en andere zaken) door de tijd veranderen, maar anderzijds dat het gevoel dat een kloon `eng' is `het enige brute feit' is. Waaruit bestaat de `feitelijkheid' van dat `enge' vergeleken met de blijkbare vergankelijkheid van morele oordelen?

De schrijvers worden benoemd als `filosofen', maar het is mij een raadsel welke filosofie hier geformuleerd wordt... Of alle oordelen en gevoelens zijn aan verandering onderhevig, en dus is er geen kunst nodig om het `brute feit' van de `engheid' van klonen te doen veranderen (hoe dan ook), of morele oordelen en `engheid' zijn beide `brute feiten', maar je kan filosofisch gezien niet willekeurig de een of de ander tot `brute feit' verheffen (of verlagen).

En wat klonen zelf betreft: dit artikel duidt op geen wijze waarom het überhaupt wenselijk zou zijn om aan klonen te wennen, als dat al nodig zou zijn: wat rechtvaardigt het onverminderd doorzetten van een ontwikkeling van steeds duurdere en meer ingewikkelde procedures voor het reproduceren van kinderen, terwijl er miljoenen kinderen op deze aarde sterven door gebrek aan ouders en/ of zorg?

Deze technieken (IVF, ICSI, klonen etc.) worden ontwikkeld in een context van slecht doordachte claims tot een recht op, of behoefte aan, een `eigen' kind, waarbij onderzoek aantoont dat dat idee van `eigenheid' nauwelijks valt uit te leggen door de betrokkenen, noch de artsen, noch de ouders (het blijft bij vage uitspraken over `bloedband' of `familie'). Er is geen eenduidig antwoord voor deze complexe kwesties, maar gebrekkige argumentatie zoals dat in `De Kunst van het klonen' helpt ons ook niet verder.