Zigeunerjazz schenkt vertrouwen

In zijn laatste films vertelt regisseur Tony Gatlif (Algerije, 1948) zijn verhalen over de verdwijnende zigeunercultuur steeds meer met muziek en steeds minder met woorden en talige logica. Dat betekent ook dat hij voornamelijk met de soms schelle, vaak speelse of schrijnende mix van traditionele zigeunermuziek, joodse muzikale motieven, Magreb-melodieën en flamenco-gitaren de emoties beroert.

Zoals uit de tientallen minuten durende openingssequentie van zijn voorlaatste film Vengo bleek, gelooft Gatlif echt dat muziek direct het hart beroert en taal-, cultuur- en communicatieverschillen tussen mensen opheft. Dat hij desondanks op smaakbarrières kan stuiten, lijkt hij voor lief te nemen.

Met het vertrouwen dat Gatlif in de muziek heeft, worden zijn films misschien moeilijker na te vertellen, maar ook minder pathetisch dan eerder werk als Gadjo dilo.

Gadlifs meest recente film Swing is getoonzet op de klanken van de zigeunerjazz zoals Django Reinhardt die speelde.

Het verhaal gaat over de kinderen Max en Swing die vrienden worden, gitaar leren spelen, pijn leren kennen. Het gaat ook over een zigeunergemeenschap in de Elzas, over armoede en analfabetisme. En net als bij de jazzy dansjes op de gitaarsnaren, hoor je die wrange klanken pas als de vingertoppen van jazzgitaristen Tchavolo Schmitt (in de rol van gitaarleraar Miraldo) en Mandino Reinhardt (als Mandino) alweer een majeurakkoord aanslaan.

Gatlif heeft ondanks alles een positieve kijk op het leven. Na de bittere woorden van de grootmoeder van Swing, die de nazi-concentratiekampen in de herinnering roept, wijkt zijn camera weer naar de jonge gezichten van Max en Swing. De acteurs zijn gecast om hun vermogen lang en intens de camera in te kijken. Hun ogen spiegelen meer vertrouwen dan argwaan.

Swing. Regie: Tony Gatlif. Met: Lou Rech, Oscar Copp, Tchavolo Schmitt, Mandino Reinhardt. In: 7 bioscopen.

    • Dana Linssen