Tan Duns thee-opera is muzikaal en visueel wonder

In zijn nieuwe opera Tea, een wonder om te horen en te zien, toont Tan Dun zich een Chinese Giaccomo Puccini. Tea, dat gisteravond onder leiding van de componist en in de enscenering van Pierre Audi in het Amsterdamse Muziektheater een enthousiast ontvangen Europese première beleefde, zou ook heel goed een double bill kunnen vormen met Puccini's Chinese opera Turandot.

Beide opera's spelen aan het keizerlijke hof in Peking. En in beide opera's komt een Perzische prins voor. Deze Perzische prins, voor Chinezen een verre, exotische figuur, is in beide gevallen de katalysator van de dramatische handeling. In de sprookjesopera Turandot triomfeert de liefde, in het wonderlijke Tea sterft de Chinese prinses Lan tijdens een gevecht tussen haar minnaar en haar broer om Het Boek van de Thee.

Zoals Puccini in Madama Butterfly en Turandot westerse muziek vermengde met oosterse invloeden, zo combineert ook Tan Dun oosterse en westerse muziek. Voor ons zijn tussen de Chinese muziek met die typische glissandi de talloze westerse invloeden zeer herkenbaar en direct te determineren. In het boeddhistenklooster klinkt boventoonzang met een soort gregoriaans. Verderop horen we het ostinato van Stravinsky, het jazzy bigbandritme van Bernstein, verwijzingen naar de oriëntaalse Britten (The Prince of the Pagoda's) en de Mahler van Das Lied von der Erde op Chinese teksten. Dat alles wordt doorschoten met vleugen quasi-Mantovani. Of is dat toch weer de lyrische Puccini?

De muziek van Tan Dun, geboren in China en wonend op Manhattan, klinkt met zijn aangename exotiek en aansprekende esthetiek wonderschoon en tijdloos. Het is alsof die klanken om de wereld zijn gewaaid en ondertussen perfect zijn vermengd. Het is alsof die muziek altijd en overal al heeft geklonken en immer zal blijven klinken, nu dus een paar keer in Amsterdam.

Wat Tan Dun componeert is wereldmuziek, een muziek die alles in zich verenigt wat je altijd al had willen horen. Tan Dun is als componist dan ook een wereldburger, die alles met alles kan mixen en voor wie pluriformiteit vanzelfsprekend is. ,,Oost, west, het interesseert me niets, ik laat geen begrenzingen toe in mijn denken; dat is mijn dapperheid, mijn essentie'', zei Tan Dun vrijdag in het Cultureel Supplement.

De muziek van Tan Dun, van flinterdun tot monumentaal opgebouwd, krijgt een etherisch hoogtepunt in de tweede akte, waarin een instrumentale hoofdrol is gegeven aan papier. Na allerlei gespetter en gedruppel van water klinkt geritsel en geruis, geknierp en geknisper. De met grote inzet spelende musici van het Nederlands Kamerorkest slaan op de energieke aanwijzingen van Tan Dun hun muziekpapier streng in de maat heen en weer. Op verticale papierbanieren wordt getrommeld door drie Japanse slagwerksters, die ook op allerlei manieren fascinerende muziek maken met waterbekkens. Als prinses Lan is gestorven, nadat ze de achterblijvers heeft bezworen daarover geen traan te laten, valt uit een vergiet een regenbui van tranen. Zo integreert regisseur Pierre Audi de muziek van Tan Dun volledig in toneelbeeld en enscenering.

Die `papieren' tweede akte is ook een remake van de tweede akte van Wagners Tristan und Isolde, waarbij thee fungeert als een bedwelmende liefdesdrank voor prinses Lan en haar minnaar, de Japanse prins Seikyo. Tea is even origineel als traditioneel en back to basics. De dramatische inhoud en de muzikale structuur van Tea zijn gebaseerd op de oervoorbeelden van de westerse operacultuur. Op Monteverdi, die de nieuwe kunstvorm opera op het hoogste niveau verhief, tot en met Wagner, die zich weer oriënteerde op het Griekse drama, de oervorm van opera.

Er is in Tea, waarin men tal van lagen kan ontdekken, nog veel meer `oer', zoals de elementen water, vuur, aarde en lucht. In thee komt immers alles tezamen: met water en warmte zet men in een pot van aardewerk thee, die geurt. Tea eindigt met de vaststelling ,,Thee is de spiegel van de ziel''. Hier wordt de westerling het duidelijkst ingewijd in de oosterse cultuur. Het boek van de Thee behelst ,,duizenden geheimen'' van de Chinese theeceremonie, gebaseerd op een complete levensfilosofie. In het westen zijn de oude `vijf gulden theeregels' inmiddels gereduceerd tot het ene theezakje.

Componist Tan Dun en regisseur Pierre Audi hebben beiden een verleden in het verbinden van oost en west. Tan Dun schreef de opera Marco Polo, Pierre Audi ensceneerde Rêve d'un Marco Polo van Claude Vivier. De speelsheid van die laatste opera krijgt hier van Audi een wat ritueler, strenger geordend complement. De driehoeksverhouding tussen prinses Lan, haar broer en haar minnaar, wordt gesymboliseerd door een driehoek in het decor van Jean Kalman, dat bestaat uit een aantal oplopende lange vlakken. De negen koorzangers vormen daarvan weer een drievoudig veelvoud. De fraaie belichting, de subtiele videoprojecties met water en wolken van Frank Scheffer en de fantastische kostumering doen de rest.

Na Mozarts La clemenza di Tito, waarin vorige maand nauwelijks focus was te vinden, toont Audi zich hier in deze opera vol archetypes weer de meester van intensiteit en concentratie. Het rituele en het emotionele hebben niet alleen elk hun eigen plaats, maar komen ook op vervoerende en indrukwekkende wijze samen, culminerend in de klacht van de keizer bij het lijk van prinses Lan, over ,,de tranen die regenen, zo luid als doodsklokken''.

Door de gemengd oosterse-westerse cast wordt ook nog geweldig gezongen. Er zijn indrukwekkende prestaties van Haijing Fu (Seikyo), Stephan Richardson (keizer) en Ning Liang (Lu). Christopher Gillett zou in zijn boosaardige prinsenrol wat scherper en krachtiger kunnen zingen. De ster van de voorstelling is de ongelooflijk zingende Nancy Allen Lundy als een hartroerende prinses Lan.

Voorstelling: Tea van Tan Dun door Ned. Kamerorkest, solisten en koorzangers o.l.v. Tan Dun. Decor/licht: Jean Kalman; kostuums: Angelo Figus; video: Frank Scheffer; regie: Pierre Audi. Gezien: 7/1 Muziektheater Amsterdam. Herh.: 8, 9, 11, 12/1. Res.: (020) 6255455.

Voor de volgende vier voorstellingen zijn nog kaarten beschikbaar.

    • Kasper Jansen