De oorlogsrekening

Het plan van president Bush om de Amerikaanse economie te stimuleren stelt teleur. Het verhoogt het begrotingstekort aanzienlijk, zal waarschijnlijk alleen beperkte delen van de economie aanjagen – met name de financiële markten – en houdt geen rekening met de gevolgen van een mogelijke oorlog tegen Irak. Met name dat laatste zet het plan – ieder plan dat de economie moet stimuleren – op losse schroeven. Bush wil de inkomstenbelasting drastisch verlagen en de dividendbelasting zo snel mogelijk afschaffen. Zijn `banen- en groeiplan' kost 674 miljard dollar, uitgesmeerd over tien jaar. Beide huizen van het Congres moeten het nog goedkeuren. Nu al is duidelijk dat de Democraten zich fel tegen Bush' voorstel zullen verzetten, en hoewel de Republikeinen in zowel de Senaat als het Huis van Afgevaardigden de meerderheid hebben, is het geen uitgemaakte zaak dat het plan ongeschonden door het Congres komt.

Door de belastingen flink te verlagen, geeft Bush de consumptie in de Verenigde Staten een impuls. Althans in theorie. De praktijk van dit moment is weerbarstiger. De consument is kopschuw gemaakt door de dreiging van oorlog. Bush kan dan wel rekenen op steun van de Amerikaanse bevolking voor zijn strijd tegen Saddam Hussein, maar dat zegt niets over de grote onzekerheid van deze tijd. Die wordt voortdurend gevoed door de in Washington geuite oorlogsretoriek. De consument steunt zijn president, maar zal tegelijkertijd zijn geld liever op zak houden in afwachting van rustiger dagen. Het vertrouwen is sowieso laag. Amerika is geteisterd door bedrijfsschandalen, Wall Street heeft een dramatisch jaar achter de rug, de olieprijzen stijgen en wereldwijd ligt de economie aan een infuus.

De grote vraag is wat het kostbare plan van Bush nog voorstelt als Amerikaanse troepen dadelijk Irak binnenvallen. Waarschijnlijk weinig. De econoom William Nordhaus betoogde onlangs dat de Amerikanen de economische verplichtingen onderschatten die een militair ingrijpen met zich meebrengt. Nieuw is dat niet, schreef hij, omdat het verleden bezaaid is met miscalculaties over de economische, politieke en militaire gevolgen van oorlogen. Nordhaus' schattingen van de totale kosten van een oorlog tegen Irak lopen uiteen van 121 miljard tot 1.595 miljard dollar. In het eerste geval gaat het om een korte militaire actie, met relatief gunstige gevolgen voor de VS; in het tweede om een zich voortslepend conflict dat ongunstig voor de VS uitpakt. In de kosten zijn opgenomen directe militaire uitgaven en bedragen die samenhangen met de bezetting van het land, vredeshandhaving, humanitaire hulp en wederopbouw. Ook is rekening gehouden met negatieve macro-economische effecten en de gevolgen voor de oliemarkt.

Het stimuleringsplan van Bush gaat hieraan geheel voorbij. Nu zal men zeggen: juist in een tijd van oorlog heeft de economie een duwtje nodig. Misschien. Maar zo mededeelzaam als de president is over zijn huidige voorstel, zo zwijgzaam zijn hij en zijn adviseurs over de kosten van een mogelijke oorlog en de economische consequenties op korte en lange termijn. De kosten zullen toch voornamelijk moeten worden opgebracht door de Amerikaanse belastingbetaler. Van de gevolgen zal deze, als het in Irak een kwestie van doormodderen wordt, nog lang hinder ondervinden.

Omdat de economie gemondialiseerd is, zal dit elders zijn uitwerking niet missen. Groot-Brittannië en Frankrijk, twee landen met fragiele economieën, treffen voorbereidingen voor een peperdure mobilisatie. De strijd tegen de terreur moet doorgaan en kost óók geld. Wat gebeurt er als het conflict met Noord-Korea escaleert? De totale rekening is zonder kunstgrepen niet te betalen. Ook niet na aftrek van het batig saldo als gevolg van Bush' plan.