Seautoscopie

Toen Hein Donner begraven werd, bijna vijftien jaar geleden, was er een toespraakje van een gereformeerd familielid dat met vreugde memoreerde dat Hein in de laatste fase van zijn leven weer de kerkdiensten had bijgewoond.

Kan je wel tegen een dode, dacht ik. Hein was invalide en de zondagse kerkdienst in zijn verpleeghuis was een van de weinige verzetjes die hij nog had. Hij deed er inspiratie op voor stukjes waarin hij bijvoorbeeld de overeenkomst tussen het christendom en het nazisme beschreef.

Misschien kon dat familielid inderdaad niet anders dan hij deed. In zijn bijdragen tot de Mulischkunde had Hein het seautoscopisch principe bedacht. De schrijver kijkt naar iets en ziet zichzelf, niet als persoon, maar als `dat wat schrijft'.

Het is misschien een een zware term voor een gewoon verschijnsel, maar in zo'n geval gaat het er maar om wat je met het begrip doet en Hein had er aardige resultaten mee behaald. In ieder geval moest ik toen op die begrafenis aan zijn seautoscopie denken. Het familielid had hem gezien bij de kerkdienst, maar hij had niet Hein gezien, maar zichzelf. Het kon hem niet kwalijk genomen worden, want het is erg moeilijk om te aanvaarden dat andere mensen niet zijn zoals jezelf.

In de laatste boekenbijlage schreef Hugo Brandt Corstius over de Ethica van Spinoza: ,,Het is enerverend om te zien hoe Spinoza God met rustige slagen in de touwen bokst en hem tenslotte tegen het plafond knock-out slaat, waarna hij hem eerbiedig zijn badjas omslaat.''

Een gaaf geval van seautoscopie, want afgezien van die badjas zou je zweren dat er met die ruwe bokser een moderne columnist beschreven werd.

De God van Spinoza valt samen met het universum, dat daardoor een bezield universum is. Het zichtbare universum zou je Gods lichaam kunnen noemen. Zijn geest zien we niet. Deze God luistert niet naar gebeden en deelt geen straffen of beloningen uit, Hij heeft geen aandacht voor ons, maar is er slechts.

Voor Brandt Corstius was Spinoza een atheïst die zo verstandig was om dat niet al te hard te zeggen en er zijn er meer geweest die er zo over dachten. Een tijdgenoot van Spinoza noemde hem daarentegen iemand die verdronk in God en hijzelf schreef in een brief verontwaardigd: ,,Atheïsten zijn gewend om gretig eer en rijkdom na te streven, wat ik altijd heb veracht.''

Niet alleen de moderne atheïst kan in Spinoza zichzelf zien. Er is de laatste paar eeuwen bijna geen filosofische stroming geweest die niet op de een of andere manier met hem in verband is gebracht.

Ik kan niet ontkennen dat ook ik mezelf wil zien als ik naar Spinoza kijk. Die God van hem, dat is de mijne, af en toe tenminste, bij mooi weer en als mijn stemming er naar is. Het bezielde universum is een symbool van de onuitputtelijke wonderlijkheid van de wereld en hoewel het zich niet om mij bekommert geeft het troost.

Meer troost dan goed voor een mens is, zou je kunnen zeggen. Het Kwaad is onschadelijk gemaakt in de filosofie van Spinoza. Het bestaat eigenlijk niet, hoogstens als een vergissing, een gebrekkige kennis van God. Die blijmoedigheid doet inderdaad een beetje denken aan de atheïsten die vrolijk rond de Vrijheidsboom dansten, en als ze elkaar niet de kop hadden afgesneden dan dansten ze er nog.

Ik kijk naar Spinoza en zie iemand die de Rede liefhad en woonde in een land waar de redelijke gebroeders De Witt door het Oranjevolk op gruwelijke manier in stukken werden gescheurd. Geen wonder dat hij een pseudo-mathematisch systeem bedacht waarin God met het universum samenviel en het kwaad een misverstand was.

    • Hans Ree