Nederland heeft laag bewustzijn van hoog water

Het is een illusie om te denken dat we altijd droge voeten houden, al worden de Maaswerken nog zo snel uitgevoerd.

Het zit tussen de oren, daarover zijn veel waterbeheerders het wel eens. Hoofdschuddend zien zij aan dat half Nederland door opwinding wordt bevangen zodra de woorden Itteren en Borgharen vallen. ,,Bijna niemand heeft serieuze belangstelling voor waterbeheer. Maar als er wateroverlast is, heeft op feestjes iedereen er verstand van'', klaagt onderzoeker ir. Jos Dijkman van het Waterloopkundig Laboratorium in Delft.

Het schijnt niet tot de mensen door te dringen, verzuchten waterbeheerders, dat Rijkswaterstaat weliswaar al het mogelijke doet om de bevolking tegen hoogwater te beschermen, maar dat er een ,,grote marge'' van onzekerheid blijft bestaan. In de kantoren van de Technische Adviescommissie Waterkeringen (TAW) in Delft, een adviesorgaan van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, hangt een poster met de tekst: `Geef ons heden ons dagelijks brood, en af en toe een watersnood'. Het is een uiting van lichte frustratie over het lage ,,hoogwaterbewustzijn'' van de Nederlander.

Zeker, er bestaan normen voor wat rivieren moeten kunnen verstouwen. Precieze normen zelfs. Zo is de verruimde Rijn straks berekend op een afvoer van 16.000 kuub water per seconde. Zo breed en diep is de rivier en zo hoog zijn de dijken. De Maas moet straks 3.800 kuub per seconde kunnen verwerken. Een overschrijding van die normen zou zich hooguit eens in de 1250 jaar mogen voordoen langs de grote rivieren, en in de Randstad eens in de 10.000 jaar. Maasdorpen als Itteren en Borgharen moeten het doen met een risico van eens in de 250 jaar. Maar, zeggen onderzoekers bij het Waterloopkundig Laboratorium en bij het RIZA, een adviesdienst van Rijkswaterstaat, daar vallen geen zekerheden aan te ontlenen. ,,We moeten leren leven met de natuur'', zo heet het. En: ,,We leven nu eenmaal in een delta.''

Zekerheden zijn niet te krijgen in een samenleving die pas honderd jaar metingen verricht. Specialist hoogwaterbeheer Dijkman van het Waterloopkundig Laboratorium: ,,Bij het waterbeheer houden we geen rekening met klimaatwijzigingen in de toekomst. We baseren ons op metingen van de afgelopen honderd jaar. Dat is veel te kort om hard te kunnen maken dat een watersnoodramp die zich langs de rivieren slechts eens in de 1250 jaar zal voordoen, precies gepaard gaat met 16.000 kuub per seconde in de Rijn, de afvoer die de maat geeft aan ons systeem van hoogwaterbescherming. Er is een kans van 90 procent dat het tussen de 13.000 en 19.000 kuub ligt.

,,Als wij vinden dat de norm op eens in de 1250 jaar moet liggen, dan is dat een politieke afspraak gebaseerd op berekeningen die op bewoners van Itteren en Borgharen misschien koel overkomen, maar die we op andere terreinen ook maken. We zouden als samenleving ook het aantal slachtoffers van branden omlaag kunnen brengen door het aantal brandweerkazernes te verdubbelen. Toch doen we dat niet. Net zomin als we de rijstroken op snelwegen zes meter breed maken om ongelukken uit te bannen. Vergeet niet dat de schade van de wateroverlast nu klein is. Het gaat om enkele tientallen woningen.'' [Vervolg WATEROVERLAST: pagina 10]

WATEROVERLAST

Bij de Rijn is veel ongewis

[Vervolg van pagina 1] Ook de commotie over het ,,trage'' tempo waarin de Maaswerken zich voltrekken, moet niet worden overdreven. Hoogwateringenieur Jos Dijkman: ,,De grote watersnoodramp van 1953 heeft 1.835 mensen het leven gekost, maar we hebben er vervolgens veertig jaar over gedaan om de Deltawerken te voltooien tot een niveau waarop zo'n watersnood veel minder slachtoffers zou maken.'' Het heeft staatssecretaris Melanie Schultz van Haegen (Verkeer en Waterstaat) er niet van weerhouden om gisteren, bij een werkbezoek aan het getroffen gebied in Limburg, haast te beloven bij uitvoering van toekomstige waterwerken. Het gaat dan vooral om verkorting van juridische procedures. Aan de huidige Maaswerken valt weinig te versnellen, laat zij weten: eind dit jaar gaan de werkzaamheden aan de Zandmaas van start, vermoedelijk een jaar later gevolgd door die aan de Grensmaas waarvoor in juni de milieu-effectrapportage verschijnt. Berekeningen van Rijkswaterstaat wijzen echter uit dat zodra deze Maaswerken zijn voltooid, de schop onmiddellijk opnieuw de grond in moet, omdat er voor de periode tussen 2060 en 2100 nóg meer Maaswater aankomt, tot een maatgevende afvoer van 4.600 kuub per seconde. Voor de Rijn gaan de voorspellers uit van een verdere verhoging tot 18.000 kuub per seconde, ook al omdat Duitsland de dijken verhoogt en het water daardoor onze richting op stuurt.

Bij de Rijn is het nodige ongewis. Onlangs publiceerde het RIZA een rapport over de ,,onzekerheden'' bij de afvoerverdeling van Rijnwater over Nederrijn, Waal en IJssel als het water de kritieke stand, de maatgevende afvoer, heeft bereikt. Het onderzoek laat zien dat er schommelingen kunnen optreden in de verdeling van water per Rijntak van 200 tot 300 kuub per seconde, op een totaal van 16.000 kuub per seconde voor de hele Rijn. Een ,,niet te verwaarlozen afwijking'' voor wie bedenkt dat deze afwijking evenveel is als de capaciteit die voor sommige delen van de Rijntakken nu extra wordt gecreëerd in het kader van het programma Ruimte voor de Rivier. De onzekerheden hangen vooral samen met de ,,ruwheid van het winterbed'', aldus onderzoeker ir. Max Schropp. ,,Als er veel vegetatie in de uiterwaarden staat, kan dat de loop van het water beïnvloeden.'' Bijvoorbeeld door snel opschietend wilgenbos. Ook de morfologie van de rivierbodem verandert tijdens hoogwater snel. Schropp: ,,Er kan een golfachtige structuur ontstaan die de afvoermogelijkheden beperkt.'' Andere factoren die het halen van de veiligheidsnorm onzeker maken zijn het bezwijken van kades en dammen, en natuurlijk de wind. Schropp geeft een voorbeeld: ,,Als er zuidwestenwind staat, leidt dat tot opstuwing in de Waal die het water richting noorden stuurt.'' Ook bestaat de kans, hoe klein ook, dat een hoogwater samenvalt met een wind van orkaankracht die een ramp dichtbij zou brengen.

Hoogwateringenieur Jos Dijkman van het Waterloopkundig Laboratorium zou er enerzijds voor willen pleiten om de veiligheidsnormen te verhogen door de rivieren meer ruimte te geven en ook dunbevolkte polders te bestemmen als ,,noodoverloopgebieden'' zoals de commissie-Luteijn heeft voorgesteld. Dit omdat de samenleving daar om vraagt en bovendien omdat meteorologen voorspellen dat er meer water deze kant op komt door temperatuurstijging en zeespiegelrijzing. ,,De situatie wordt nijpender''. Anderzijds zullen deze maatregelen moeten samengaan met een zorgvuldiger ruimtelijke ordening. Dijkman: ,,Meer mensen moeten nadenken over wat we waar doen in dit land. Dus niet overal een Vinex-wijk bouwen en dorpen langs de onbedijkte Maas niet uitbreiden. Als dat toch moet, zou je op de bouwgrond een paar meter zand kunnen gooien, zo duur is dat niet. Als je dat niet doet, moet je niet verbaasd zijn dat er woningen overstromen.'' Dat alles moet dan wel samengaan met een verhoogde waterbewustzijn. Dijkman: ,,Na een ramp vergeet de eerste generatie die nooit meer. De tweede generatie houdt er nog serieus rekening mee. De derde generatie beschouwt de ramp als een verhaal van vroeger.''

    • Arjen Schreuder