Met de Friezen de Hollandse winter door

Als de temperatuur het vriespunt nadert, slaat onherroepelijk de koorts toe. Bij de Hollanders. Die richten dan en masse de blik noordwaarts, want daar wonen de Friezen en de Friezen houden van schaatsen en dat is nu eenmaal het grootste genot van de Hollandse winter.

Erg verwonderlijk is het dan ook niet dat De Tweede Ronde de Friese literatuur als thema heeft gekozen voor het winternummer van dit jaar. Het opent met Boest, een verhaal van Rob van der Linden, die onlangs verrassend debuteerde met De hand, de kaars en de mot. De ervaringen van een naar Friesland geëmigreerde onderwijzer staan hierin centraal. ,,Het Friese landschap. Wat vloog het hem aan! Met weidsheid kan iemand die zijn gedachten naar binnen richt, niets beginnen.''

Het verhaal is zeer geslaagd: net als in zijn roman weet Van der Linden vaak in een enkele zin een complete scène te vatten. ,,Toen ze eindelijk getweeën in de salon van haar ouderlijk huis zaten om de bedankbrieven voor de verlovingscadeaus te adresseren, bleek ze te beschikken over het temperament van een ijsberg.''

Het verhaal van Van der Linden is een van de minst Friese bijdragen. Het grootste deel van het nummer is gevuld met echte Friese verhalen. Twee daarvan zijn geschreven door vertaler en publicist Jabik Veenbaas, die ook als gastredacteur optreedt en een groot deel van het vertaalwerk op zich nam.

In de rest van Nederland geleidelijk aan bekender wordende auteurs als de dichters Tsjêbbe Hettinga (met een episch gedicht dat opmerkelijk genoeg tussen de olijfbomen speelt), Albertina Soepboer (,,Met de wind in de rug zeilde ik het Reitdiep af/ als was ik een schip in een regenjas'') en de prozaïst Trinus Riemersma staan niet alleen met eigen werk in het blad, aan ieder van hen is ook een essay gewijd.

Van de nu 95-jarige Theun de Vries werd een oorspronkelijk in het Fries geschreven verhaal opgenomen, De pronkkamer, over een niet geheel geslaagde seksuele inwijding: ,,Ik durfde niet. In dat korte, diepe ogenblik dat ik haar in de ogen keek, werd het mij duidelijk: ik was, nog geen zeventien jaar, niet mans genoeg om een vrouw van dertig te bedwingen.''

De verhalen van de nauwelijks bekende Friese schrijvers (de provincie heeft evenveel inwoners als IJsland, dat ooit een Nobelprijswinnaar voortbracht, meldt het voorwoord hoopvol) zijn lang niet allemaal geslaagd, maar bevatten hier en daar prachtige passages, zoals een uit Vrede in de kooi van de in 2001 overleden Hylkje Goïnga, waarin een vrouw een piano in bruikleen krijgt. Ze merkt dat een vriend zeer geïnteresseerd is in het instrument, waarna in zijn mooi gekozen woorden de reden van zijn belangstelling aan het licht komt: ,,Nou, heb ik dat eens even bekeken, meid, maar jij hebt er niets op staan, hè?'' Hij heeft toevallig nog wat flessen met scheepsmodellen erin, een erfstuk, dus hij kan haar probleem oplossen. Waarna ook alle andere kennissen hun overtollige goederen in het huis van de vrouw komen stallen.

Ook mooi is het verhaal Duisterwinkel van Durk van der Ploeg, over een man die op zijn erf een olieveld wil aanleggen (,,De olie klokte in de buizen als de melk in het kind aan de borst'') en het aan de stok krijgt met de autoriteiten. Dat loopt voor de vertegenwoordiger van die autoriteiten slecht af, zoals buitenstaanders zich al eeuwen in de weerbarstige terkjes van sommige Friezen vergissen. Zie het gedicht 754 van Hendrik Jan Bosman: ,,Al wordt van de Friezen heel wat goeds gehoord,/ ze hebben Bonifatius vermoord.''

De Tweede Ronde, Winter 2002. Van Oorschot, 184 blz. €11,–

    • Arjen Fortuin