Joop Visser

Buiten de gebaande paden, in eigen beheer en dus op zijn eigen voorwaarden blijft Joop Visser nieuwe liedjes maken. Ook op zijn achtste cd, die zodoende Acht heet, geeft hij weer waar voor zijn geld: er staan niet minder dan 28 nummers op, over de meest uiteenlopende onderwerpen. In feite is Visser een zingende columnist; omdat veel teksten hem worden ingegeven door de actualiteit, bezingt hij hier onder meer de vader van prinses Máxima, de RVD-verklaring dat prins Friso niet homoseksueel is, de wonderen van Jomanda, het gevaar van de milieu-activist (,,al komt-ie niet uit Harderwijk/ blijf toch maar buiten zijn bereik'') en het probleem dat de euromuntjes nauwelijks uit elkaar te houden zijn.

Doorgaans slaat Joop Visser een satirische toon aan, maar soms is hij bloedserieus. Zoals in een nummer met het wrange refrein: ,,Israël, je bent daar wel, maar Israël, je hoort daar niet.'' Ronduit kolderiek zijn daarentegen een liedje waarin wordt verklaard waarom tijdens de kerstdagen kalkoen wordt gegeten, en een zot verhaaltje over een hordenloper die geen vrouw kan krijgen: ,,Ga jij maar bij je eigen hijgen, zeiden ze altijd...''

Meer dan veertig jaar geleden was Joop Visser de dwarse student-zanger Jaap Fischer, wiens zuurzoete liedjes veel weerklank vonden. Maar in 1964 legde hij zichzelf het zwijgen op. Jarenlang wilde hij vervolgens niemand anders zijn dan de Haarlemse leraar maatschappijleer dr J.F.H. Fischer. Toen hij tenslotte toch weer met nieuwe liedjes naar buiten trad, zwoer hij het verleden af door die voortaan te zingen onder de naam Joop Visser. Ook van platenmaatschappijen heeft hij sindsdien nooit meer willen weten. ,,Ik word ziek van de Hilversumse kliek'', zong hij eens.

Joop Visser zet zijn eigengereide geluid op dienende deuntjes. Hij begint bijna elk liedje zonder instrumentale omhaal: meestal is de eerste noot al gezongen voordat zijn gitaar invalt. Hoewel hij een enkele keer ook zoetgevooisd kan zijn – de cd eindigt zelfs met een ragfijn liefdesliedje – staat het tekstuele venijn voorop. Als hij zich tot tolk maakt van een botte onbenul (,,als ik een politici/ op de televisie zie/ denk ik: nou vooruit, dan stem ik die''), is er van mooi zingen geen sprake meer: dan klinkt hij lusteloos en monotoon. En zijn ode aan Nieuweschans is weliswaar poëtisch verpakt (,,waar de weg het land verlaat, waar de trein niet verder gaat''), maar volstrekt niet te vertrouwen. Evenmin als een lofzang op het vermeende verschil tussen Nederland en België: ,,Toen het kalf verdronken was, hielden ze een stille tocht / en benoemden een commissie, eentje die er wezen mocht/ dat kan alleen in België, zo doen ze dat, zo slim als wat, bananen zat in België.''

Joop Visser: Acht. VCD 200202 (www.joopvisser.nl)