Gekverklaring

Ook dit jaar heb ik de vijfde januari herdacht als de Dag van Detentie. Dit is geen officiële herdenkingsdag, maar een persoonlijke. De vijfde januari van het jaar 1979 maakte ik mijn opwachting in de Jan van Schaffelaerkazerne in Ermelo. Ik ontving er meteen een nummer: 57.09.05.576, en daarmee stond ik gelijk onder krijgstucht. De winter van '79 was een strenge in de breedste betekenis van het woord.

De dienstplicht bestond toen nog, en aan de dienstplicht ging maanden voor de daadwerkelijke oproep een medische en psychologische keuring vooraf. Ik wilde niet in dienst. Daarvoor had ik goede redenen. De dienstplicht stond tussen mij en een carrière als beroepswielrenner. Niet dat ik al een contract op zak had, ik was slechts een romanticus met een droom. De droom bestond eruit om al wiegend op de pedalen die benauwde jaren zeventig, die sommigen voor vrijheid en ongekende mogelijkheden hielden, te ontvluchten. Dus zei ik desgevraagd tegen die keurende militaire psycholoog, misschien was het wel een psychiater: ,,Ik heb er geen zin in''.

Ik werd goedgekeurd, ik had spijt van mijn eerlijkheid. Ik had er spijt van dat ik niet de pindakaastruc had toegepast die mij van harte was aanbevolen door een succesvol belijder van deze truc. De pindakaastruc. Smeer een klodder pindakaas in je bilnaad. Op het moment dat je in onderbroek voor het keurend college staat gaat je hand naar achteren. Je brengt pindakaas tevoorschijn met je wijsvinger en vervolgens stop je die vinger in je mond. Succes verzekerd. Die mate van gekte kunnen ze zelfs in het leger niet gebruiken.

De krijgstucht viel aanvankelijk mee. Ik was namelijk geplaatst op de kaderopleiding, ik zou worden opgeleid voor een leidinggevende functie. Het voorrecht voor toekomstig kader bestond eruit dat de eerste twee weken diensttijd een sanctieloze periode betrof. Tijdens die periode sloeg ik mijn slag. Ik zette op een dag mijn wapen- een zwaar geweer, een FAL, op de borst van mijn sergeant. ,,En nu de handen omhoog, Hoss!'', riep ik.

Daarna ging het snel met de gekverklaring.

Ik herinner me die Groningse jongen. Hij hield van zijn FAL. Hij legde zijn wang tegen het staal en streelde de loop. Hij haalde de trekker wel eens over. Dat was in de periode voor de exercities op de schietbanen, de magazijnen waren nog leeg. ,,Pieuw, pieuw'', zei de Groningse jongen. Hier hadden we te maken met een echte strijder. Na al die jaren ontroert deze herinnering me nog steeds.

En ik, ik werd beroepswielrenner. Regelmatig word ik op straat aangeklampt door mensen die me bedanken voor het genot ik hen twintig jaar geleden geschonken heb terwijl ze voor de televisie zaten en keken naar het verslag van een bergetappe in de Tour de France. ,,Dat waren nog eens zomers'', zeggen ze.

Een romantische vlucht kan ook gezien worden als dienstplichtvervulling.

    • Peter Winnen