De stad, het vuil en het stoepje

Wat is er aantrekkelijk aan het fenomeen stad? De anonimiteit, het onbekende, de chaos, het onvoorspelbare, de nacht, het gevaar. Thomas Mann schreef eens dat als je je geboortestad verlaat, je altijd blijft denken: wat zouden ze daar nu van mij vinden. Bij mij werkt het andersom. Nadat ik mijn stad heb verlaten voor een baan elders, blijf ik denken: wat spoken ze daar zonder mij uit en wat vind ik daarvan? Zo ook bij het lezen van M afgelopen weekeinde. Een prachtige reportage van Paul Andersson Toussaint met even mooie foto's van Vincent Mentzel. Mijn stad, die kutstad, dacht ik.

Rotterdam. De stad waar eens Cor Vaandrager wandelde, met een uit een supermarkt ontvreemd boodschappenwagentje, volgeladen met zijn spullen. Op weg naar Van Gennep om daar de ruit weer eens in te gooien. De stad waar Marokkaanse mannen `kankerhoer' tegen me riepen en ik vrolijk treiterig terugschold ,,je moeder is een varken en je broertje is van de buurman''. Na deze rituele dans, een begroeting eigenlijk, konden we allen weer overgaan tot de orde van de dag. De orde van de stad.

De stad van Heinz de zwerver, die altijd Duitse commando's brulde en door de mensen gevoed werd. De stad waar ik onbekommerd een Turks koffiehuis binnenliep om sigaretten te kopen. De stad waar een Surinaamse junk mij aansprak en zei: ,,Jij hebt nog met mijn oma gedanst, weet je dat nog?'' De stad waarvan de inwoners kwijlend langs de kant staan te kijken naar het zomercarnaval, waarna ze denken dat de multiculturele samenleving toch wel goede kanten heeft. Voor een dag.

Wat ben je ver gekomen, stad. Na de opkomst van Leefbaar Rotterdam en de gemeentelijke verkiezingen van 6 maart ben je plotseling interessant geworden voor de landelijke pers. Iedereen wil weten hoe erg het met je is gesteld. Hoe verschrikkelijk het is om als blanke Nederlander in jou te leven. Het is heel erg, om in je te wonen, stad. Dat zeggen ze. Je bent een dak voor iedereen en dat wordt niet gewaardeerd. Er zijn mensen, geschoold en beroemd, die het verschrikkelijk vinden dat ze, als ze door jouw straten lopen, alleen maar allochtonen zien. Dat las ik in M. Men hunkert naar een bekende blik. Die wordt niet gevonden. Ik las over een vrouw die alleen vrouwen met een hoofddoekje groet als die stoepjes schrobben. Doen ze dat niet, dan ligt ze ,,verlamd van angst in haar hok''. Dat doet ze vast vaak, want stoepjes worden niet meer geschrobd.

Wat is er toch aan de hand, stad? Ik denk dat ik het weet. Je hebt je losgemaakt van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig die het laatste decennium zo worden geïdealiseerd door de babyboomers die in dat tijdperk hun jeugd in zwart-wit beleefden. Ze zien de ouderdom met gebreken op zich afsnellen en verlangen naar de vertrouwdheid van toen. Toen geluk nog heel gewoon was. Toen Rotterdam nog geen stad was maar een werkplaats van geen gezeik en iedereen doet mee. Toen vader het vlees sneed en moeder de sloof het stoepje nog schrobde. Welk stoepje? Er was woningnood. Grote delen van het volk hokten bij de ouders of met drie gezinnen in een huurwoning. Repatrianten werden dubbele-bonvreters genoemd. Kinderen werden vrijdag in een teil gewassen. De laatste kwam er nog smeriger uit dan hij erin was gegaan. Levertraan diende als aanvulling op het voedselpakket. De kinderen krijsten van afgrijzen. Er was geen mijn en dijn en ook geen probleem met het verschil daartussen. Want er was niets. Mensen stortten zich in de schulden voor de aanschaf van een televisie. Dat waren nog eens tijden, stad.

De babyboomers werden groot. Ze dansten op het popfestival in het Kralingse bos en zagen ook de wereld groter worden. Een wereld helemaal voor hen. Ze studeerden en kregen zonder probleem goede banen. Gastarbeiders werden geronseld om de mindere werkjes te doen. Maar wel onzichtbaar en onmerkbaar graag. Verboden voor Italianen, stond te lezen boven de toog in een Twents etablissement. Maar de wereld moest veroverd worden. Dat lukte. Men settelde zich en plantte zich voort.

Het huis werd voor een habbekrats geschrobd door een allochtone vrouw, zwart betaald, maar ja, wat wil je. Vooral als man alleen, want de eerste scheiding was een feit en drank bleek uiteindelijk de trouwste levensgezellin.

Met de kater kwam het gevoel van: is dit alles? `You're getting older daddy' overschreeuwde `forever young'. Nog eenmaal vlammen, nog eenmaal laten weten dat ik er ben, dat mijn leven een verschil heeft gemaakt, dachten ze. En ook, och kon ik maar uit bed komen. Waar is toch de oude leraar die mij over de knie legde als ik dreigde te dralen? Waar is mijn vader die mij verrot schold als ik weer eens iets achterlijks had gedaan? Waar is mijn moeder die mij een joetje toestopte als ik alles er doorheen had gejaagd?

Ze zijn weg. Want stad, jij bent opgegroeid en niet langer zwart-wit maar gekleurd. Havenbaronnen maken de dienst uit en de georganiseerde misdaad neemt geen maatschappelijke verantwoordelijkheid. Maar dat is niet zichtbaar. Zichtbaar zijn wel de ongeschrobde stoepjes omdat moeder de eeuwige rust heeft gevonden in de stoepjeshemel.

En de babyboomer denkt uitsluitend vreemde ogen te zien. Ogen die zijn dominantie niet aanvaarden en gerechtigheid eisen. Al het vertrouwde is weg. De jaren vijftig zijn voorbij en daarmee zijn jeugd. Hij verwijt het de vreemdelingen. Dat die in een echte stad nooit vreemdeling zijn, begrijpt hij niet. Dan herinnert hij zijn uitstervende soortgenoten aan de tijd van de geschrobde stoepjes. En velen roepen: ,,Ja, de geschrobde stoepjes moeten terug en de allochtonen de stad uit. In ieder geval een spreidingsbeleid zodat in iedere buurt tenminste een paar stoepjes schoon zijn. Weg met het softe linkse vuile stoepjes gedoogbeleid.''

Weg met jou, stad. Terwijl je eindelijk echt volwassen bent. Hard en onrechtvaardig voor iedereen. Compleet met vuile stoepjes. Zoals het een stad betaamt.